Anarchie, militairen en universele broederlijkheid:
onverzoenbare dualiteiten?

        

Binnen de vrijmetselarij bestaan er enkele eigenaardige formuleringen van anarchistische origine.

"Ni dieu, ni maître. Geen god, geen meester".
"De mens die handelt in blinde gehoorzaamheid, is geen mens meer".
Of , zoals Diderot:
"La nature n'a fait ni serviteur ni maître, je ne veux donner ni recevoir de lois".

Bekend zijn de ideeën van Pierre Joseph Proudhon, vrijmetselaar, libertijn en tijdgenoot van Karl Marx, die de staat een verwerpelijk instrument vond dat te pas en te onpas in naam van het welzijn van de gemeenschap door regeringen werd misbruikt.
Hoe moet iemand die militair en vrijmetselaar is zich opstellen tegen zoveel kritiek, wetende dat hij net de belangen van de Staat moet vrijwaren?
Staat de militaire handelwijze dan niet lijnrecht tegenover anarchie en hoe kan een militair de universele broederschap dienen zonder te verzaken aan zijn plichten?

De filosofische stroming die bekend is als anarchisme is ontstaan als een reactie op het communisme en het kapitalisme. Voortrekker van de beweging was broeder Proudhon die niet naliet om in zijn werken elk staatsregime aan de kaak te stellen, waardoor hij geregeld in opspraak kwam. Het valt op dat er geen eenduidige definitie bestaat van het begrip anarchie: het ene werk definieert het als de strijd op leven en dood tegen de moderne geseculariseerde staat; in een ander werk is anarchie synoniem voor chaos, ordeloosheid en wetteloosheid, terwijl anarchisme aan terrorisme wordt gekoppeld. Beide begrippen worden in diverse werken constant door elkaar gehaald. Laten we daarom voor alle duidelijkheid anarchie omschrijven als leven in een toestand van anarchisme. Anarchisme definiëren we als een politieke ideologie die de totale afschaffing van elk autoriteitsprincipe en een ingrijpende wijziging van de rechtsverhoudingen voorstaat.

Proudhon beweerde dat de weg naar anarchie een natuurlijk proces is. Volgens hem blijkt overduidelijk uit de geschiedenis dat naarmate de gemeenschap zich intellectueel ontplooit, de macht van de koning taant. Gebruiken worden omgezet in gewoonterecht. De uitvoerende macht bekrachtigt gaandeweg wetten die door het volk worden voorgedragen en niet omgekeerd, zoals dat bij de geboorte van de Staat het geval was. De koning verliest zijn macht doordat iedereen na verloop van tijd meer zeggenschap krijgt. Het is niet zo dat anarchie staat voor een totale wetteloosheid. Vrijheid en gelijkheid vloeien voort uit rechtvaardigheid; een gemeenschap zoekt dus naar orde in anarchie.

Aan Proudhon's anarchisme zijn de termen mutualisme en federalisme verbonden. Mutualisme of wederzijdse hulp op vrijwillige basis, is het beginsel dat ten grondslag ligt van de economische ordening van de anarchistische maatschappij. Proudhon's bekende uitspraak: "bezit is diefstal", betekende geen afwijzing van het bezit zonder meer, maar alleen indien dit niet door eigen arbeid verworven was. Het federalisme kan gezien worden als een praktische uitwerking van de directe democratie. De staat is in deze visie niet meer dan een regelmechanisme. In tegenstelling tot de parlementaire democratie - die uitgaat van de soevereiniteit van een volk - berust Proudhon's federalisme op de soevereiniteit van het individu.

Wie denkt dat anarchistische leefgemeenschappen niet voorkomen is fout. Wie herinnert zich niet de Amsterdamse PROVO's die in '66 dagelijks het nieuws haalden. Voorts zijn er de Piaroas een Venezuelaanse indianenstam van wie bekend is dat ze in volstrekte anarchie leven. De indianen hebben slechts 100 minuten per dag nodig om in hun eten te voorzien en dat dit is hun voornaamste bezigheid. Ze leven in kleine gemeenschappen van zo'n 40 personen in dorpen die 2 kilometer uit elkaar liggen. De macht is collectief. Niemand geeft orders aan niemand. Degenen met de meeste verdienste worden dorpshoofd en hebben enkel plichten. De Piaroas weten niet wat stelen is, ze plegen geen moorden en dragen geen kleren. Ze zijn gastvrij. Een sjamaan beschermt ze ingeval van ziekte. Ze doen bewust aan geboortebeperking en doorgaans worden ze zeer oud.

Maar de Piaroas vormen een uitzondering. In onze moderne samenleving is de bescherming van de belangen en de soevereiniteit primordiaal.In een parlementaire democratie is het overwicht van de meerderheid belangrijk; in een anarchistische samenleving is iedereen even belangrijk. De soevereiniteit van alle staten moet de plaats ruimen voor een herverdeling van de rijkdommen en de bezittingen, rekening houdend met de geografische en de klimatologische omstandigheden en strevend naar een juist evenwicht tussen productie en consumptie. Dit maakt een anarchistische maatschappij bijzonder kwetsbaar. Egoïsme moet de plaats ruimen voor altruïsme. Vast staat dat in een dergelijke maatschappij de rol van de militair is uitgespeeld; met andere woorden de universele broederschap is bereikt. Het is dus niet verwonderlijk dat anarchie en vrijmetselarij raakpunten hebben. Laten we echter met beide voeten op de grond blijven, onze materiële wereld is helemaal niet rijp voor anarchistische structuren.

vijfhoek

Ondanks het anarchistische denkbeeld dat bij sommige loges en obediënties hoogtij viert, is de vrijmetselarij, gek genoeg, altijd een pleisterplaats geweest voor militairen. In de huidige rituelen valt de militaire invloed onmiskenbaar op.
Vanaf het begin van de 18de eeuw zijn de meeste moderne Europese legers de aantrekkingspool bij uitstek geweest van associatieve gezelschappen.De georganiseerde militaire maçonnerie is afkomstig uit Ierland en ze heeft zich op het continent verder ontwikkeld gedurende de Oostenrijkse successie- oorlogen. In onze contreien zijn het vooral de Britse, Hollandse en Franse troepen die de stichting van loges beïnvloedden. Een exacte definitie geven van een militaire loge, die ook wel veldloge wordt genoemd, ligt niet zo voor de hand, want er bestaan nogal wat nuances. Eenvoudigheidshalve kunnen we een veldloge of militaire loge zien als beperkt tot een regiment en die zich mee verplaatst met dit regiment.
Twee factoren liggen aan de basis van de verbreiding van de militaire loges:

  • vooreerst het succes onder de hoge adel die aldus het gedachtegoed van de verlichting onder haar regimenten verspreidt;
  • vervolgens het duidelijke a- politieke karakter en de loyauteit aan de regimes en aan hun politieke leiders.

Dat de maçonnerie ook als ideaal terrein wordt aanvaard in de schoot van het leger valt niet moeilijk te begrijpen, omdat binnen de muren van de tempel: orde, tucht en de hiërarchie van de graden speelt; wat uitstekend aansluit bij de militaire geest.
Vóór de Franse revolutie is het vooral de Franse adel die de kaders vormt van de militaire loges. Adellijke families kochten van de koning openbare functies en ook complete militaire regimenten. Elk regiment kreeg op die manier zijn loge. Toch was het niet gebruikelijk om onderofficieren en "des officiers roturiers", zij die op basis van hun capaciteiten tot officier waren gepromoveerd, tot de werkplaats toe te laten. Om de toegang voor de minst behoeden te vermijden, werden de jaargelden zeer hoog gehouden.

Een nieuwe generatie maçons gebaseerd op patriottisme en op vrijheid van denken ontstaat na de Franse revolutie. De republikeinse maçonnerie heeft van de vrijmetselaars van het Ancien regime de grote principes van de tolerantie, de broederschap en de gelijkheid overgenomen en heeft er de principes op geënt die ze erfde van Franse revolutie. Het is hoe dan ook deze generatie die de stempel zal drukken op de huidige maçonnerie.

De periode na de Franse revolutie wordt gekenmerkt door een sterke verbreiding van de vrijmetselarij in legerkringen. Zo is bekend dat 18 van de 26 maarschalken van het keizerlijke leger broeders waren. Maar ook in de legers van de tegenstanders was het aantal militaire loges belangrijk. De Britse Krijgsmacht telde meer dan 400 werkplaatsen. Wellington was vrijmetselaar.

De samenstelling van de loges bestond voor het merendeel uit lagere officieren vooral kapiteins en luitenanten, maar ook onderofficieren waren lid. Een reden voor deze verdeling is gemakkelijk in te zien. De lagere officieren hadden de leiding over de compagnies en de pelotons die blootgesteld waren aan het gevecht. De hechte broederschap droeg daardoor ontegensprekelijk bij tot de goede verstandhouding tussen de legerleiding en de troep.
De grote toevlucht tot de veldloges valt niet helemaal op die manier te verklaren. Vergeten we niet dat na de Franse revolutie, door de anti- klerikale houding van het nieuwe regime en de verbeurdverklaring van de kerkschatten er een sterke terugval was van gelovigen. De maçonnerie vulde de aldus ontstane spirituele leegte op. De broeders konden zo bij gelegenheid ontsnappen aan de zwaarmoedige stemming die heerste tijdens de vele campagnes.

In een aantal werken wordt de verbreiding van de militaire loges vooral toegeschreven aan het feit dat de meester- vrijmetselaar in nood beroep kan doen op het teken van nood. Vooral in anti- maçonnieke werken wordt het gebruik van het noodteken nogal eens aangedikt. Het idee op zich is ronduit belachelijk. Meer zelfs, de militairen zouden in hun drang naar universele broederschap, aansporen tot desertie en de troepen in vertwijfeling brengen, teneinde de militaire macht te breken. Het is dan ook niet te verwonderen dat in tijden van spanning en crisis verdachtmakingen tegen militaire maçons schering en inslag zijn.

Maar, dit is allemaal "la petite histoire" en voorbijgaand aan de kern van de zaak. De hamvraag blijft: hoe moet een vrijmetselaar zich opstellen ten tijde van conflict en met de universele broederlijkheid in het achterhoofd? Laten we nagaan wat militaire maçons vroeger hierover dachten.
Uitspraken zoals:

"Le maçon gémit de l'affreuse nécessité qui le contraint à remplir un devoir barbare."

Of nog:

"Les scrupules du soldat maçon ne tiennent pas tant à un manque de courage qu'à un surplus d'humanité."

zijn zeer idyllisch maar verschaffen weinig duidelijkheid.
De oplossing van dit probleem moet gezocht worden in de maçonnerie zelf; want daar leer je dat je het moet opnemen tegen twee soorten belagers: de ene in je eigen binnenste en de andere in de profane wereld rondom je heen. De enige winst is de overwinning op je zelf.
De analyse van diverse bronnen, brengt ons tot het inzicht dat een vrijmetselaar niet verzaakt aan zijn militaire plicht en dat zijn broederschap tot uiting komt in het mededogen voor een weerloze tegenstander. Door de eeuwen heen werd die opmerkelijke ethiek door militaire maçons gehanteerd en uitgedragen. Dit resulteerde in het oorlogsrecht dat vaste vorm kreeg in de Conventie van Genève.
De strijder heeft voortaan een statuut en gevangengenomen strijders hebben recht op een rechtvaardige en menswaardige behandeling. Inzet van troepen en wapens moet evenwichtig gebeuren: het doel heiligt hier de middelen niet meer. Burgers moeten respectvol behandeld worden. Représailles zijn onwettig. Het moedwillig bestoken van cultureel erfgoed en van kunstwerken is verboden. Dezelfde conventie verbiedt het gebruik van massavernietigingswapens zoals de oorlogsgassen en de biologische wapens. De kernwapens worden niet als massavernietigingswapens erkend, het zijn veeleer afschrikkingwapens, want het gebruik ervan is totaal onzinnig en bovendien onrechtmatig. Elke overtreding van het oorlogsrecht is een inbreuk op de wetten van de menselijkheid waarover het internationaal gerechtshof in Den Haag uitspraak doet. Jammer genoeg ondersteunen slechts weinig landen de conventie en blijft er dus nog veel werk te doen.

Het zijn uitgerekend de militaire vrijmetselaren die aan de basis lagen van de verbreiding van het humanitair recht; dit mag blijken uit nog zo'n opmerkelijke 19de eeuwse maçonnieke uitspraak:

"Le guerrier sensible et vertueux n'oublie pas que ceux qu'il combat étaient des hommes avant d'être ses ennemies; que le vrai courage est généreux et qu'il sert autant sa patrie par son humanité que par sa valeur."

Aangezien de vrijmetselarij een uitvloeisel is van de Westerse parlementaire democratie, mag het in de werkplaatsen niet aan militairen ontbreken. Democrate militairen staan er immers borg voor dat ieder vrij zijn menig kan uiten. Wij moeten trouwens grondig van mening kunnen verschillen, dit maakt juist de kracht uit van onze broederschap. Ondanks die meningsverschillen moeten wij de discussie en de confrontatie aandurven, rekening houdend met elkander en zonder elkaar diep te kwetsen noch door elkaar te negeren.
Dit is soms moeilijk, maar het is essentieel.

Een zuster zei me ooit: "Pas maar op tijdens je ondervraging, want in onze werkplaats zijn er overwegend pacifisten".
Zelf heb ik bewondering voor de wijze waarop pacifisten vóór 20 jaar de definitieve plaatsing van kernwapens in ons land voorkwamen.
Toch ben ik het niet altijd met pacifisten eens.
Ik deel wel de mening van Sun Tsu, Chinees generaal en strateeg, die zei:

"La guerre est une affaire grave pour le pays, c'est le terrain de la vie et de la mort, c'est la voie qui mène à la survie ou à l'anéantissement; il est impossible de ne pas l'étudier."

Oorlog heeft desastreuze gevolgen, leidt tot onrechtvaardigheid en moet ten alle prijze vermeden worden; om dit universele onrecht te vermijden, is het onze plicht om er ons op voor te bereiden. Kortom, iedereen moet zijn eigen zoektocht volbrengen volgens zijn overtuiging en geweten als vrij en rechtschapen mens.



tableau


bar

[http://www.wenteltrap.be/]