Moet de vrijmetselarij een geheim genootschap blijven?

         

Wie tot de vrijmetselarij toetreedt, koopt als het ware een mooi verpakte doos. Op de verpakking staan woorden als: vrijheid, gelijkheid, broederschap, vrij denken, vrij onderzoek, agnosticisme of atheïsme, symboliek, spiritualiteit, groepssolidariteit en sociale betrokkenheid. Wie kan daartegen zijn? Er staan wellicht, iets vager, nog andere termen op die verpakking, bijvoorbeeld carrière, elite, de juiste kringen en dergelijke. Dat is minder fraai, maar menselijk nooit helemaal uit te sluiten. Hoe dan ook, wanneer je ingewijd wordt en ontdekt wat je reeds lang vermoed had, namelijk dat een aantal gewaardeerde geestesgenoten ook vrijmetselaar waren, ben je gerustgesteld; maar je weet in feite nog niets. Zo is het mij ook vergaan. Ik heb gereisd, bouwstukken opgeleverd, andere vrijmetselaars leren kennen en ontdekt dat er ook binnen een werkplaats een verschil is tussen diegenen die de rituelen op een bijna klassiek religieuze manier beleven - ex operando, zoals de katholieke kerk dat van de rituele handelingen van de sacramenten zegt - en anderen die deze gebaren, kledingstukken, woorden en aanrakingen eerder als een symbolische afsluiting van de profane werkweek beschouwen, een beetje zoals de vrome joden de sabat begroeten en er een dag later plechtig afscheid van nemen of ze gewoon lijdzaam ondergaan in ruil voor belangrijkere waarden. Zoals bijvoorbeeld, en ik spreek hier alleen voor mezelf, de kans om vrij en ongestoord met intelligente geestesverwanten over allerlei thema's te kunnen praten, zonder taboe en zonder vrees om meteen politiek correct in een vakje te worden geduwd. Die ene avond in de week dient dan als vakantie in de oorspronkelijke betekenis van het woord: men maakt zich vrij van al de normale zorgen van het werk en het persoonlijke leven, men bereidt zich ook niet op een of andere politieke actie voor, maar men neemt de vrijgemaakte tijd om te luisteren en te praten, om bepaalde ideeën en twijfels aan die van de anderen te toetsen en daardoor bij te stellen. De werkplaats wordt dan bijna letterlijk een soort van 'Reparturwerstatt', een garage, waar men enigszins van de sleet van het gewone profane leven kan herstellen om daarna met iets meer vertrouwen aan jezelf en 'de tempel der mensheid' te werken.
Deze inleiding is nodig, omdat voor mij de meerwaarde van deze maçonnieke ervaring zo groot is dat ik er niet aan denk de vrijmetselarij te verlaten, ook indien de meerderheid van mijn zusters en broeders het met mijn opinies over openheid en geheimhouderij niet eens blijkt te zijn. Ik houd dit pleidooi voor grotere openheid niet omdat ik de huidige praktijk niet goed vind, maar omdat er volgens mij een betere vorm van vrijmetselarij mogelijk moet zijn, meer aangepast aan de noden van de eenentwintigste eeuw.

labyrint

Over enkele contradicties aan de oorsprong van de vrijmetselarij.

  1. Net op het moment dat de intellectuelen in de westerse wereld afstand begonnen te nemen van de wildgroei van rituelen, sacramenten, relikwieën, heilige teksten, beelden, kaarsen, gewijde plaatsen, scapuliers en religieuze gewaden van de traditionele godsdiensten om plaats te maken voor een meer rationele omgang met de realiteit, ontstaat er een select gezelschap dat opnieuw en met groot enthousiasme een eclectische vorm van rituelen invoert, geput uit de vele mythen en religies uit het verleden. Er ontstaan opnieuw sacrale ruimten en teksten, kaarsen duiken weer op en allerlei inwijdingsrituelen worden zorgvuldig en in detail uitgewerkt.
  2. Terwijl in het westen terecht kritiek wordt uitgeoefend op de standenmaatschappij, waarbij de mensen door hun geboorte in een bepaalde sociale groep werden ingedeeld, voert men als het ware een nieuwe ridderorde in die zich duidelijk van de rest van de bevolking afzondert en er zich ook vaak boven verheven voelt. Gezien de realiteit van de sociale privileges zoals opvoeding, een maatschappelijke status en sociale contacten is het dan ook geen wonder dat die eerste vrijmetselaars in feite tot de hogere standen behoorden, waarschijnlijk met een overwicht van de toen opkomende en zegevierende burgerij. De vrijmetselarij lijkt wel het jachtgebied te zijn van de toenmalige citoyen die, zoals we reeds lang weten, helemaal niet zo universeel was, maar in feite een blanke, mannelijke, goed opgevoede en welstellende Europese burger die de betuttelingen van kerk en adel beu was en terecht zijn plaats in de samenleving opeiste. Voor vrouwen en leden van de vierde stand, nochtans de overweldigende meerderheid van de bewoners van de Tempel der Mensheid, was in die vrijmetselarij al even weinig plaats als in de parlementen en regeringen van de beginnende parlementaire democratieën.
  3. Tegen de trend naar democratische openheid, die zich verzette tegen de geheime camara's waarin de absolute vorsten en hun achtbare raadgevers alle beslissingen 'en très petit comité' namen, besluit de vrijmetselarij, achter zorgvuldig met zwaarden verdedigde gesloten deuren te opereren. Dat heeft het voordeel, dat men elkaar goed leert kennen en niet eindeloos tijd hoeft te verliezen door te luisteren naar god en klein pierke die ook hun mening menen te moeten uiten en dus veel efficiënter kan werken, maar ook het nadeel dat men op die manier een ondemocratische vorm van besluitvorming verderzet. Toegegeven, de vrijmetselaars hadden niet dezelfde macht als de adellijke raadsheren, alhoewel, maar in ieder geval werd daardoor nooit met 'het volk' als zodanig echt van gedachten gewisseld en kon de loge bijgevolg slechts indirect aan het democratiseringsproces deelnemen.

Deze lijst is niet exclusief, maar geeft de toon aan: de gedeeltelijk historisch correcte, gedeeltelijke geïdealiseerde verwijzingen naar de middeleeuwse vrijmetselaars in hun bouwhutten die de geheimen van het vak op esoterische wijze aan de nieuwe leerlingen doorgaven en erover waakten dat geen onbevoegde die in handen kon krijgen, werden vervangen door een symbolische bouwactiviteit die niet langer de kathedralen, maar de nog op te bouwen nieuwe samenleving van de moderniteit tot opgave genomen had. De vraag is natuurlijk of men met niet- democratische - wat niet noodzakelijk hetzelfde is als ondemocratische - middelen aan een democratische maatschappij van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid kan bouwen.
In de profane wereld, overigens een merkwaardige definitie van de wereld tout court, werd vanaf het einde van de achtiende eeuw ononderbroken geprotesteerd door die segmenten van de maatschappij die theoretisch wel binnen de logica van vrijheid en gelijkheid vielen, maar in feite waren uitgesloten, zoals het tragische lot van de radicaal democratische revolutionair Gracchus Baboeuf met zijn 'Conspiration des égaux' treffend illustreert. Steeds meer groepen eisten hun deel op: de arbeiders en boeren, de vrouwen en, na WO I, de onderdrukte volkeren van de koloniale wereld. In de vrijmetselarij uitte zich dat onder meer door het opkomen van de vrouwen in de gemengde of vrouwelijke loges, hoewel we moeten toegeven, dat heel wat mannenwerkplaatsen en obediënties wat dat betreft ver achterstaan bij de ontwikkelingen in de wereld en zo ongeveer op het niveau van de katholieke kerk zijn blijven staan, waar vrouwen wel geduld worden als helpsters, maar geen echt statuut van gelijkwaardigheid hebben. Men kan wel zeggen dat noch Rome noch de Tempel der Mensheid op één dag zijn gebouwd kunnen worden, maar het lijkt me vaak niet duidelijk of men al wel aan die bouw is begonnen.

Over de voordelen van een geheim genootschap.

  1. De Duitse cultuurfilosoof Jurgen Habermas, één van de laatste denkers van de Frankfurter Schule, schrijft dat de ontwikkeling van het democratische en seculiere denken binnen een absolutistische maatschappij noodzakelijk in het geheim moest gebeuren, in de semi- beslotenheid van de literaire en politieke salons, waar men alleen op uitnodiging aan kon deelnemen of via de geheimhouding van bijvoorbeeld de vrijmetselarij. Wanneer we weten dat uitgerekend Habermas de voorvechter is van een 'machtsvrije communicatie' (herrschaftsfreie kommunikation) als voorwaarde sine qua non voor de ontplooiing van een democratische samenleving, begrijpen we dat we die geheimhouding niet anachronistisch vanuit onze eigen positie hic en nunc mogen bekijken. Juist de beslotenheid van de werkplaatsen en de geheimhouding van het lidmaatschap maakte dit handvol vrije en invloedrijke mensen mogelijk, toen als gevaarlijk beschouwde ideeën vrijuit te bespreken en tot rijping te laten komen. Ooit zouden ze de weg naar de buitenwereld vinden en de ontwikkeling van de maatschappij beïnvloeden.
  2. Mutatatis mutandis kan men zijn redenering ook toepassen op maatschappijen en historische periodes, waarin deze geheimhouding een noodzakelijke bescherming bood aan diegenen die zich tegen elke vorm van onvrijheid verzetten. Het zou grotesks zijn, uit naam van de openheid te verlangen dat de verzetslieden tijdens bijvoorbeeld de fascistische bezetting of in het stalinistische Rusland open en bloot zouden geopereerd hebben. Geheimhouding van de ledenlijst en de activiteiten is onder die omstandigheden gewoonweg een noodzaak waarover zelfs niet moet gediscussieerd worden.
  3. Het wordt al iets moeilijker, wanneer we deze redenering doortrekken naar een rechtstaat met een democratische grondwet en democratische controlemechanismen. Ook in dat geval blijven er talloze machtsgroepen en individuen over, die het lidmaatschap van de vrijmetselarij tegen de mensen die van hen afhangen kunnen en waarschijnlijk ook zullen gebruiken. In een grondig verzuilde maatschappij heeft het weinig zin, je lidmaatschap van de loge openbaar te maken, wanneer je in een milieu werkt dat deze vorm van vrij onderzoek en vrij denken als een aanval op zin identiteit zal ervaren en daar trouwens niet helemaal verkeerd mee zit. Ik denk bijvoorbeeld aan de mensen in de grotendeels katholieke welzijnssector, in het overwegend katholieke onderwijs, maar ook in niet- kerkelijke milieus waar men een dergelijke levensbeschouwing niet meteen ziet zitten.
    De eenzame vrijmetselaar kan dan wel geduld worden en zelfs juridisch beschermd, maar riskeert wellicht andere, meer subtiele vormen van discriminatie. Wie een beetje de ontwikkeling van de zogenaamde bedrijfscultuur volgt, kan zich heel goed indenken, dat bepaalde bedrijven die zich graag als 'één grote gelukkige familie' voordoen, wel twee keer zullen denken voor ze iemand met uitgesproken vrijmoedige ideeën, en zo ziet de buitenwereld de vrijmetselarij terecht of onterecht, een grotere verantwoordelijkheid, lees promotie zullen geven. Deze bedrijfscultuur, ik verwerp met klem de vandaag zo vaak verkeerd gebruikte term 'bedrijfsfilosofie' is niet alleen in Japan en de VSA afgestemd op loyauteit en volgzaamheid, maar wordt via de toenemende globalisering ook bij ons steeds bevorderd. Is het daarom niet raadzaam om, in het belang van het individu, zijn of haar lidmaatschap netjes geheim te houden om onnodige problemen uit te lokken?
  4. Naast die bescherming spelen ook het vertrouwen en de groepscohesie binnen de werkplaats en de vrijmetselarij een belangrijke rol. Je kan binnen de loge vrijuit je mening zeggen, omdat je erop kan vertrouwen dat je opinies niet meteen aan de grote klok worden gehangen, met alle mogelijke gevolgen vandien. Het onderscheid tussen het geheimhouden van je lidmaatschap en de discretie over de binnen de werkplaats gevoerde discussies is wel formeel vol te houden, maar wordt de verleiding om uit de biecht te klappen in de realiteit niet groter? Ik denk van wel. Een vriend of kennis die dus weet dat mevrouw X of mijnheer Y lid zou zijn van jouw werkplaats, zal vlugger geneigd zijn, naar vertrouwelijke informatie over hun opinies te vissen en dan zit je als enerzijds collega of vriend en anderzijds vrijmetselaars tussen twee vuren. Je kan dan wel zeggen dat ja, mevrouw X lid is van jouw werkplaats, iets wat iedereen reeds lang wist, maar dat je verder geen informatie wil verstrekken. In een ideale wereld met ideale mensen moet dit mogelijk zijn, maar is dit ook zo makkelijk in de praktijk?
  5. Dan is er nog een laatste, mijns inziens moreel minder aanvaardbare maar toch heel begrijpelijke reden voor die geheimhouding. Zoals Baudrillard heeft aangetoond, willen de meeste mensen in onze samenleving zich van de anderen onderscheiden. En wat is er aantrekkelijker dan te behoren tot een exclusieve club waar onbevoegden geen toegang tot hebben en waar dingen gebeuren waarover de buitenwereld niets mag weten? Elke buitenstaander kan zich uiteraard in detail over de rituelen en inwijdingen informeren, daarover bestaat intussen al een uitgebreide, voor iedereen toegankelijke bibliotheek, maar dat is nog niet hetzelfde als de deelname in de besloten kring van een werkplaats. Wanneer iemand zich als broeder of zuster kenbaar maakt en je het gesprek door een bepaalde geheimtaal van de anderen kan afschermen, geeft dat een zekere voldoening en verhoogt het je zelfinschatting. Ook daar moeten we in dit debat rekening me houden.

Voordelen van een opheffing van de geheimhouding.

  1. De vrijmetselarij bouwt per definitie aan een betere wereld, dat wil zeggen een samenleving waarin , om Marx en Engels in het 'Manifest' te citeren, de zo volledig mogelijke ontplooiing van elk individu de voorwaarde is voor de ontplooiing van de maatschappij in haar geheel, ik ken geen betere omschrijving van het democratische ideaal. Zolang de geheimhouding bestaat is de kans reëel dat vrijmetselaars dit week na week herhaalde 'werken aan de tempel der mensheid' louter symbolisch beschouwen, een beetje zoals gelovigen die 's zondags met instemming en devotie luisteren naar een preek over de plicht tot naastenliefde, maar die plicht is vergeten van zodra ze de kerk verlaten hebben. Ook dat is menselijk. De zitting met zijn mooie symboliek wordt dan als het ware een excuus om voor de rest alles op zijn beloop te laten.
    Wanneer men echter van ons weet, dat we tot deze orde behoren, stellen we ons kwetsbaar op en mag men van ons inderdaad een grotere inspanning in de strijd voor de democratie en de tolerantie verwachten.
  2. Juist omdat we vrijmetselaar zijn, weten we, dat de afzonderlijke werkplaatsen en soms grotere verbanden binnen de loge inderdaad zeer nuttig werk verrichten dat de maatschappij ten goede komt, en dan heb ik het niet over de traditionele solidariteit die helaas maar al te vaak neerkomt op een of andere vorm van liefdadigheid. Ik heb het over de grote ontwikkelingen van de maatschappij, waarin we als vrijmetselaars een belangrijke rol hebben gespeeld en zullen blijven spelen op ethisch, wetenschappelijk en maatschappelijk gebied. Door met acties en opinies naar buiten te treden, kunnen we het verkeerde imago van de vrijmetselarij als een vereniging van oubollige bourgeois, die zich in het beste geval onschuldig bezighouden en in het slechtste geval elkaar de hand boven het niet altijd even onschuldige hoofd houden of elkaars carrière bevorderen, eens en voorgoed de kop indrukken.
    Nu kunnen we wel beweren dat dit niet zo is, maar hoe kunnen we het bewijzen? Omdat de vrijmetselarij zoveel interessante, creatieve en vooral kritische geesten telt, is het jammer dat de invloed ervan vaak versnipperd wordt of in elk geval overgelaten aan de goede wil van de individuele vrijmetselaar, wat in feite jammer is. Hoeveel sterker zouden we niet staan, indien we het recht hadden, in naam van onze maçonnieke overtuiging en met de steun van onze vereniging te spreken en de goden en godinnen weten, hoe nodig een dergelijk getuigenis is in een postmoderne periode, waar niemand het woord engagement, laat staan seculiere waarden nog in de mond durft te nemen. Om het met de heilige Thomas van Aquino te zeggen:" Men zondigt niet alleen door het kwaad dat men doet, maar evenzeer door na te laten, het goede te doen wanneer men daartoe de gelegenheid heeft."
  3. We spreken graag van 'Vrijmetselaars zonder schort', waarmee we interessante en moedige vrouwen en mannen bedoelen, die om een of andere reden geen vrijmetselaar geworden zijn, ook al werden ze daartoe uitgenodigd. Het zou nuttig zijn te weten te komen, hoevelen van hen door al die geheimdoenerij worden afgeschrikt, terwijl ze in feite wat hun morele en sociale overtuiging en inzet betreft, helemaal in de vrijmetselarij zouden passen. Ik vind dat jammer voor hen maar vooral voor ons. Is dat niet een te hoge prijs die we voor de geheimhouding betalen?
Tenslotte, en ik weet dat dit niet het einde van de pro's en contra's is: zou een open vrijmetselarij nog lang de historische, ondemocratische anomalie van exclusief mannelijke werkplaatsen en obediënties kunnen volhouden, wanneer niet alleen leden in geheime cirkels, maar de wereld daarbuiten ons op deze toch wel zeer merkwaardige vorm van discriminatie wijst. Het criterium voor toelating is voor zover ik weet het engagement voor vrij onderzoek, tolerantie en het verwerpen van elke vorm van dogma, en niet onze anatomie, of heb ik het niet goed begrepen?

Initiatie


bar

[http://www.wenteltrap.be/]