Een beschouwing van 'Ken Uzelve'

      

'Ken Uzelve' is een gebod. Niet alleen was dat bij de oude Grieken al zo, maar ook nu nog, o.a. in de vrijmetselarij. Waarom zou dat zijn? Naar mijn mening getuigt het gebod van wijsheid. Wie bewust wil leven, heeft wijsheid nodig, en zelfkennis is daar een ingrediënt van.

Directe aanleiding tot dit bouwstuk was een boek van Jos Kessels: "Geluk en wijsheid voor beginners." Hij doceert filosofie aan de Universiteit van Utrecht. Ik was prettig getroffen door zijn boek. Hij schrijft een beetje zoals Socrates zijn gesprekken voerde: dóórvragen. Waarom doen mensen wat ze doen? Omdat ze dit of dat willen. Waarom willen ze dat? Omdat ze het een goed ding vinden. Waarom vinden ze het een goed ding? Enzovoort.

Ik geef een voorbeeld: je vraagt aan een workaholic 'Waarom werk je zo hard?'
Antwoord: 'Ik wil graag veel geld verdienen.'
'Waarom wil je dat?'
Antwoord: 'Ik wil een vermogen opbouwen voor als het mij ooit eens slecht gaat.'
'Waarom denk je dat het je slecht zal gaan?'
Antwoord: 'Ik heb existentievrees overgehouden uit de crisistijd.'
Enzovoort, enzovoort.

Desgevraagd zullen de meeste mensen beamen dat ze 'goed leven' nastreven. Als je ze vraagt hoe ze dat doen, dan vinden sommigen dat het je gewoon overkomt als het je meezit, maar anderen vinden daarentegen dat het iets is waaraan je moet werken. Dat laatste doen vrijmetselaren in hun loge, ieder op z'n eigen manier. In de NRC zie ik regelmatig annonces van loges waarin ze het hebben over 'werken aan jezelf'.

De soort gesprekken die ik net beschreef kunnen veel verschillende wendingen nemen, maar vroeg of laat kom je terecht bij intrinsieke waarden, doelen en subdoelen als geluk, rechtvaardigheid, kennis, genot, rijkdom, eer, schoonheid of liefde. Die ontlenen hun waarde niet meer aan wéér iets anders, maar louter aan zichzelf. Voor de ondervraagde persoon zijn zulke waarden een soort heipalen onder zijn levenshouding. Ik hoef U niet te zeggen dat ze per persoon verschillen. Vele discussies in onze loges illustreren dat. Ik heb ook gemerkt dat die waarden kunnen verschuiven door gebeurtenissen in je leven. En ze veranderen ook als je ouder wordt.

zon en maan

Ik heb ervaren dat ik bij dóórdenken of dóórpraten over mijn handel en wandel meestal wel een of andere intrinsieke waarde weet te noemen. Mooie woorden als liefde, rechtvaardigheid of zo vallen gemakkelijk, maar ik krijg lang niet altijd meteen helder wat dat moois precies inhoudt. In mijn ogen is dat laatste nou juist een voorwaarde voor 'ken Uzelve.' Mijn stelling is dat het nuttig is bij het toetsen van je zelfkennis of bij het beoordelen van je eigen gedrag, als je een beetje weet welke waarden in het geding zijn, en ook als je iets weet wat wijze mensen over zulke waarden gezegd hebben.

Het is een verdienste van Kessels dat hij voor zoekers als ik denkstof aanreikt doordat hij bij elk thema filosofen van stal haalt, die zinnige dingen gezegd hebben. En het mooiste is dat hij dat doet zonder filosofisch jargon. Natuurlijk spreken die filosofen elkaar vaak tegen, want kant-en-klare antwoorden op levensvragen bestaan niet. Ik presenteer hun uitspraken als niet meer dan een keuzemenu voor Uw zelfkennis. Ik deel een lijstje uit met namen en jaartallen van filosofen. De namen mag U meteen vergeten, maar het is misschien leuk om aan de jaartallen te zien dat het denken over deze materie van alle tijden is.

Ik begin met de intrinsieke waarde 'geluk'. Bijna iedereen zegt dat na te streven. Je kunt meestal wel zeggen 'dit of dat is voor mij geluk', maar beschrijven wat het is, dat lukt maar weinigen. Voor velen is de eerste vraag: 'moet je daarvoor naar je gevoel of naar je verstand luisteren?' In de eeuw van de Verlichting werd alle heil verwacht van de Rede, maar Rousseau stelde in diezelfde tijd dat al die meerdere kennis het geluk van de mensen alleen maar geschaad heeft. Volgens hem kon je alleen maar geluk vinden door te leven in overeenstemming met de natuur, dus ook je eigen menselijke natuur. De beste wegwijzer daarbij was je gevoel, niet je verstand.

Moet je dan aan elk opkomend gevoel maar gevolg geven? Nee, zei Epicurus, aangenaam en genotvol leven is weliswaar voorwaarde voor geluk, maar het hoogste goed is toch verstandig zijn. Je kunt niet aangenaam leven zonder verstandig en rechtvaardig te zijn. Maar je kunt ook niet verstandig en rechtvaardig zijn zonder aangenaam leven. Je moet dus een evenwicht vinden, en de enige wegwijzer daarvoor is je verstand. Lukt je dat, dan heb je de zgn. ataraxia gevonden, innerlijke rust. Dát is geluk, zegt ie. Ataraxia is zoiets als wat ik voor mijzelf gemoedsrust noem. Die twee filosofen spreken elkaar dus tegen en toch baseren ze allebei hun gelijk op wat zij 'de ware aard' van de mens noemen. Hoe kan dat nou? Wat is dan die ware aard? Daarover is ook al heel wat afgefilosofeerd. Spinoza b.v. was op zoek naar iets dat 'werkelijk goed is, iets dat hem ongestoorde en verheven blijmoedigheid' zou schenken.

Een vereiste voor geluk, zei Spinoza , is dat je beseft dat er een verschil is tussen hoe je in je dagelijkse leven feitelijk bent, en wat eigenlijk je wáre aard is. Je bent immers bewust of onbewust speelbal van allerlei invloeden in jezelf en buiten jezelf, en die rijmen lang niet altijd met wat je in diepste wezen bent. Net zoals een ruiter zijn paard, moet je leren die onbestendige natuur van jezelf te beheersen. En dat kun je alleen maar met je verstand. Zonder verstand geen zelfkennis, en zonder zelfkennis geen geluk.

Twee eeuwen later hakte Nietzsche deze zienswijze aan mootjes. Volgens hem zijn onze instincten veel betrouwbaarder dan ons verstand. Die tweedeling van Spinoza vond hij onzin. Je leven is er niet om verstandelijk uit te pluizen, maar om het te beléven. Dus: wég verstand, gevoel moet het doen.
Volgens Epictetus , zegsman van de klassieke Stoa, leef je gelukkig als je leeft in overeenstemming met je ware zelf. Hoe weet je wat dat is? Door zelfkennis. Die stelt je in staat om uit te maken wat deel is van je zelf.
Dat is namelijk alleen datgene wat in je macht ligt. De rest hoort niet bij je zelf. Dat zijn de onverschillige dingen.
De stoïcijnen noemen het 'ik' hegemonikon, letterlijk datgene wat de macht uitoefent, soms ook de innerlijke stem, of het redelijk verstand. Ze beschouwen het ik als een uiting van een centrale, sturende kracht, die ze meestal Logos noemen, soms ook God of het Noodlot. Wat vele vrijmetselaars voortstuwende wereldorde noemen. Je hebt macht over je wil en je emoties, maar je hebt geen macht over ziekte of gezondheid, of over je aanzien bij mensen, dus dat zijn onverschillige dingen. Leidt dat niet tot fatalisme of apathie? Neen, want ze onderscheiden ook die onverschillige dingen wel degelijk in minder of meer verkieslijke, en ze handelen daarnaar. Als je dat hoort, dan vraag je natuurlijk meteen: 'Wat is dan nog het verschil tussen stoïcijnen en niet-stoïcijnen?' Nou, bijvoorbeeld in het feit dat vele niet-stoïcijnen geluk beschouwen als iets dat van buiten moet komen, en dan proberen zaken te regelen die buiten hun macht liggen. En ze zijn dan boos of verdrietig als het niet lukt. Ze weten niet beter. Stoïcijnen weten wél beter: volgens hen getuigt dat van onvoldoende zelfkennis en fout inzicht in de natuurlijke orde. Hun idee van goed leven houdt in dat je niet uit het lood raakt door wat dan ook. Daarin slagen, dat is geluk. Je krijgt het niet cadeau, het is zwaar werk. In onze symboliek moet je dan aan schietlood en waterpas denken, en aan ons gezegde:'Op U komt het aan.'

Augustinus had een heel andere visie op zelfkennis. Volgens hem is het hoogmoed om te stellen dat de mens tot volledige zelfkennis in staat is. Het menselijk verstand is daarvoor te beperkt. Die Logos van de stoïcijnen is onkenbaar, net zoals die ingebouwde gids van Rousseau. De ware zelfkennis is juist je 'ik' tot zwijgen brengen om je te kunnen overgeven aan een hogere en meer waarachtige stem, God. Over de vraag wat geluk is stonden Aristoteles en Kierkegaard even diametraal tegenover elkaar als de Stoa en Augustinus. Volgens Aristoteles is geluk geen toestand of iets dat je beleeft, maar een activiteit. Je moest daarvoor een aantal deugden in praktijk brengen, met als hoofdregel een juiste keuze tussen te veel en te weinig. Dan handel je goed, en geluk ontstaat door goed handelen. Kierkegaard zag niks in zo'n door spelregels beheerste abstracte bepaling van geluk. 'Niet objectiviteit, maar subjectiviteit is de waarheid', zegt hij ergens. Het gaat niet om het geluk, maar om mijn geluk, jouw geluk, zijn geluk. Bovendien speelt in dat geluk van Aristoteles de hartstocht niet mee, volgens hem het hoogste in het menselijk bestaan.

Nog een tegenstelling over geluk is die tussen Marcuse en Popper. Marcuse was de filosoof van het studentenverzet in de zestiger jaren, dat zo treffend werd gekenmerkt door o.a. de graffiti op Amsterdamse muren: 'Wij eisen geluk.' Die zie je niet meer, we vinden nu dat we geen tijd hebben voor die onzin. Marcuse beschreef wat hij de 'eendimensionale mens' noemde. Nooit eerder kregen westerse mensen zoveel individuele vrijheid om te leven zoals zij zelf willen, maar ze hebben minder vrijheid dan voorheen, helaas zelfs zonder dat ze zich daarvan bewust zijn. Marcuse bepleitte radicale koerswijzigingen om een gelukkiger samenleving te maken.
Popper daarentegen stelde dat radicale strevingen nog nooit iets anders dan ongeluk hadden gebracht, in de vorm van intolerantie, dogmatisme en aantasting van democratie. Hij bepleitte bestrijden van ongeluk, en 'piecemeal social engineering', veranderen in kleine stapjes. Dan kun je terugdraaien als iets niet goed uitpakt.

zon

Dat was het een en ander over de intrinsieke waarde 'geluk'. Ik neem er nog één uit het boek van Kessels, rechtvaardigheid. Hij noemt dan o.a. Machiavelli (16e eeuw). Die stelde dat je een stabiele samenleving niet bereikt met alleen maar morele praatjes. Mensen zijn nu eenmaal anders dan we graag zouden willen. Moreel goed gedrag kan ongewenste uitkomsten opleveren, maar slecht gedrag kan ook wél gewenste uitkomsten leveren. Goede doelen als een stabiele samenleving of een bloeiende onderneming kunnen immoreel gedrag zelfs nodig maken. Zijn visie omvatte dus heel wat méér dan de simplificatie dat het doel de middelen heiligt.
Berlin zegt het nog duidelijker, in de taal van de 20e eeuw: hou maar op met zoeken naar één allesomvattende moraal. Een algemeen belang nastreven is een goed ding. Eigenbelang nastreven is ook een goed ding. Maar soms sluit het ene het andere uit. Laten we dus eindelijk eens aanvaarden dat je de goede dingen in het leven nooit allemaal tegelijk kunt hebben. Je kunt bijvoorbeeld niet tegelijk een moreel en deugdzaam leven in christelijke zin leiden én een sterke staat met bloeiende ondernemingen bewerkstelligen. Je moet vaak kiezen tussen twee onverenigbare moralen, afhankelijk van wat je nastreeft. Dat is wat Machiavelli ons al liet zien.

Rechtvaardigheid speelt ook een rol bij het besturen van een organisatie of een bedrijf. Zonder leiders gaat het niet, dat leert de praktijk. Velen vinden een tweedeling tussen leiders en werknemers niet rechtvaardig. Moeten de geleiden meebeslissen of niet? Kessels neemt als voorbeeld de staat. Plato gaf een heel nauwkeurige beschrijving van een ideaal staatsbestuur. Een elite van bestuurders moest de wetten maken en de burgers mochten zich daarmee niet bemoeien, alleen gehoorzamen. Ik herinner mij een schrijver die zei dat hij voor geen prijs in zo'n staat zou willen leven. Ik trouwens ook niet. Pas in de 17e eeuw kwamen filosofen als Hugo de Groot, Montesquieu en Voltaire met kritiek. Wetten waren pas rechtvaardig, vonden zij, als ze konden worden afgeleid uit onaantastbare uitgangspunten zonder aanzien des persoons, zaken als recht op eigendom, op vrijheid, op gelijkheid voor de wet, en ook op deelname aan het bestuur. Hun ideeën hadden groot gewicht in de Franse Revolutie, en ze hebben dat nog steeds. Maar Ortega y Gasset verkondigde in de 20e eeuw dat die mooie ideeën weliswaar vooruitgang hebben gebracht, maar ook de massamens. En die bedreigt nu de cultuur. De massamens profiteert van de vooruitgang, waar hij zelf niets aan gedaan heeft. Hij acht zich gerechtigd tot een oordeel over alles en nog wat, maar klakkeloos, zonder begrip of kennis. En hij kan niet luisteren naar anderen die die kennis wél hebben. Hij gelooft alleen maar rechten te hebben, geen verplichtingen. Dat is niet rechtvaardig. Alleen mensen die in staat zijn verplichtingen op zich te nemen, zijn bevoegd tot leiding geven en moeten dat ook doen, vindt Ortega.

Voorstanders van welke maatschappelijke orde ook hebben hun voorkeur altijd de rechtvaardigste genoemd, ook als ze lijnrecht tegenover elkaar stonden, en ze beriepen zich daarbij steeds op de natuur van de mens zoals zij die zagen. In de Middeleeuwen werd geregeerd bij de gratie Gods. Traditioneel kon alleen de adel regeren, en de kerk keurde verzet daartegen af. Dat heette rechtvaardigheid. Mensen waren nu eenmaal niet allemaal gelijk, zei men. In de 17e eeuw gingen die middeleeuwse ideeën overboord. Hobbes en Locke beweerden dat alle mensen gelijk zijn en dat iedereen in beginsel vrij is om zijn leven in te richten zoals hij wil. Egoïsme was een natuurlijk menselijk gegeven, en hoefde lang niet altijd slecht te zijn. Maar, helemaal zonder staat of wet zou er toch wel een onveilige toestand ontstaan. Er moest dus een maatschappelijk verdrag komen, dat alle burgers zou beschermen tegen inbreuk op hun veiligheid en bezit. Dan zou de combinatie van welbegrepen eigenbelang en egoïsme van de mensen een vreedzame samenleving opleveren.
In de 18e eeuw verwierp Rousseau dat weer. Zo'n sociaal contract zou misschien voordelen hebben, maar ook nadelen. De oermens is namelijk van nature vreedzaam, oprecht in zijn gevoelens, en ongecompliceerd in zijn handelen ('de edele wilde'). Door de zgn. beschaving is de mens echter steeds meer van zichzelf vervreemd geraakt. Dus moesten niet alleen vrijheid en gelijkheid de samenleving dragen, maar ook broederschap.
Ziedaar de drie slagwoorden van de Franse Revolutie.

ruwe steen

Tot zo ver het thema rechtvaardigheid. Kessels behandelt er nog een paar, o.a. de intrinsieke waarden kennis en schoonheid. Die laat ik weg vanwege de tijd. U hebt nu een aantal weldoordachte opvattingen gehoord, die elkaar toch tegenspreken. Hoe kan dat nou? Wie heeft gelijk? Lyotard, een van de eerste postmoderne filosofen, stelt dat vragen naar gelijk zinloos is. Gelijk hebben is niet alleen onbewijsbaar, maar zelfs onmogelijk, stelt hij. Want gelijk hebben is altijd gebaseerd op een of meer fundamentele waarden of regels. In de filosofie zitten die verpakt in de geestelijke stromingen die Lyotard de 'grote verhalen' noemt. En zijn stelling is dat we daar in de loop van eeuwen te veel verschillende van hebben gehoord om ze allemaal te kunnen geloven. Het verhaal van de vooruitgang door de wetenschap, de heilsboodschap van het christendom, het eenzijdige geloof in de Rede tijdens de Verlichting, de bevrijding van mensen door het Marxisme, of juist door het kapitalisme, de rationalisatie van de samenleving, enz., waarom zouden we juist die waarden aanhangen? Zeker niet omdat ze zich als een groot goed hebben ontpopt. De wetenschap heeft naast veel goeds ook mede milieuvervuiling veroorzaakt. De kerken zijn al jarenlang leeg. Redelijk denken heeft twee wereldoorlogen niet kunnen voorkomen. Het marxisme is onttakeld, zonder het verwachte heil. In het kapitalisme vieren vervlakking en vervreemding hoogtij. Dit bevestigt mijn visie dat de filosofie per definitie niet verder kan reiken dan verheldering van de dilemma's waar we voor komen te staan als we goed willen leven. En dat we steeds zelf moeten kiezen. Geen enkele filosoof levert mij kant-en-klare zelfkennis, maar filosofie levert mij wel een richtingwijzer om mijzelf beter te leren kennen. Wie dieper wil graven, heeft een geschikt middel aan de psychologie, vooral omdat die sinds kort ook zinnige dingen weet te zeggen over de verbanden tussen denken en voelen, tussen hoofd en hart.

Ik kan U het boek van Kessels warm aanbevelen, al was het alleen maar om het laatste hoofdstuk. Dat gaat over een variant van de liefde die ik nog niet kende. Namelijk de socratische 'eros', de liefde die niet alleen liefde voor waarheid is, maar ook passie voor het gezamenlijk zoeken naar waarheid, en genegenheid voor je reisgenoten op die zoektocht. Die socratische eros zie ik als een kenmerk van vrijmetselarij als ideaaltype.
Het zou te ver voeren om het uit te leggen. Ik noem alleen even de aardige analogie die Kessels bij zijn uitleg gebruikt, en die best zou passen in onze symboliek. Zie een mensenleven als een treinreis. De trein stopt onverwacht middenin een weiland. Zie dan de verschillen tussen de manieren van reizen. Sommige mensen worden onrustig, klagen over hun aansluiting, winden zich op over de spoorwegen, raken van slag af. Hun doel ligt ergens voorbij dat weiland, de reis is niet meer dan middel om dat doel te bereiken. Het doel is alles.
Daarnaast heb je de mensen voor wie het reizen zélf het doel is. Duurt het ze te lang, dan stappen ze uit en gaan ze verder met een ander vervoermiddel of desnoods te voet. Of ze blijven rustig waar ze zijn. Ze zitten niet aan een uitgestippelde route of een gefixeerd doel vast.
Er is nog een derde categorie. Die wordt gesymboliseerd door twee geliefden in de trein, die zo van elkaar vervuld zijn, dat ieders bestemming is waar de ander is. Ze reizen, maar eigenlijk zijn ze er al. Ze willen alleen maar zijn waar ze al zijn. En daar zijn ze gelukkig. Alle drie typen werden herkenbaar in dat socratische gesprek van Kessels.

U ziet dat het opbouwen van zelfkennis geen sinecure is. En dat er een baaierd van alternatieven is als je nadenkt over je leven. Voor mij was de moraal dat leven weliswaar een moeilijke klus is, maar niettemin interessant en de moeite waard.
Ik wens U wijsheid en kracht bij Uw keuzen.

Bibliografie:
- Geschreven door B:. Piet Romeijn,
  Loge W.A. Mozart O:. Hilversum
  Webpagina van Piet Romeijn: 'Filosofie en vrijmetselarij'
- Jos Kessels: "Geluk en wijsheid voor beginners."
  ISBN: 9053524975 Uitgever Boom, 1999.


bar

[http://www.wenteltrap.be/]