Oude woorden voor nieuwe mensbeelden.

       
  1. Inleiding.

    Het is mijn diepe overtuiging dat nu wij aan de vooravond staan van hoopvolle ontwikkelingen binnen de verschillende obediënties die wijzen in de richting van een streven en een verlangen naar een samenhangende universele vrijmetselarij, we er goed aan doen om onszelf onder de loupe te nemen en ons de vraag te stellen hoe wij onszelf zien. Met andere woorden: wat is het mensbeeld dat impliciet en explicieit wordt gebruikt in onze huidige cultuur? Waaruit meteen de volgende vraag voortvloeit: kunnen of moeten wij verder met dat mensbeeld? Dient er een nieuw mensbeeld ontwikkeld te worden en hoe kan dat er uitzien? In dit bouwstuk breng ik slechts enkele elementen aan voor dat nieuwe beeld. Maar dat we van het oude afmoeten lijkt mij daarentegen een evidentie.


  2. Het oude mensbeeld.

    Laat ik eerst en vooral opmerken dat het, strikt genomen, dient aangetoond te worden dat er zoiets bestaat als een mensbeeld dat overheersend kan genoemd worden. In het kader van deze tekst is dit een niet uit te voeren taak. Ik stel het dus voor als een (zeer waarschijnlijke) hypothese die voornamelijk door literatuuronderzoek wordt ondersteund. Eén element komt in dit mensbeeld duidelijk naar voor: wanneer er over de mens wordt gesproken, dan wordt hij of zij op een essentiële wijze gedacht in tegenstellingen. Iedereen kan de oefening voor zichzelf maken; je hoeft echt niet zo lang te "brainstormen" om een reeks tegenstellingen quasi spontaan te vinden. Het resultaat van mijn oefening is het volgende lijstje (waarbij ik geen aanspraak maak op volledigheid). Ik ben bewust zuinig met commentaar omdat de meeste tegenstellingen ons allen zeer wel bekend zijn.

    yin yang
    1. De tegenstelling rationaliteit-irrationaliteit: ik zou dit bijna het trauma van het westerse denken willen noemen. Deze tegenstelling slepen we al meer dan tweeduizend jaar mee en we blijven er een problematische verhouding mee hebben. Zeker indien we vaststellen dat het rationele vaak gekoppeld wordt aan het goede (in ethische zin) en even vaak aan het schone.
    2. De tegenstelling (die bij bovenstaande aansluit) verstand-emotie: Hier, neem ik aan, is nauwelijks uitleg nodig.
    3. De tegenstelling "automatisch" (= logisch?) denken-creatief (= intuïtief?) denken: Zonder enige twijfel is deze tegenstelling mee verantwoordelijk voor het curieuze contrast dat er bestaat tussen wetenschappers aan de ene kant en kunstenaars aan de andere kant. Waar de wetenschapper zich door de feiten, enkel de feiten en niets dan de feiten laat leiden, mag de kunstenaar het (bovenal in logische termen) onbeschrijfbare domein van de verbeelding betreden en daar zijn of haar inspiratie vinden. Waarom heeft de componist zijn of haar muze en de scheikundige niet?
    4. De tegenstelling bruikbaar-nutteloos: men verwacht uiteraard dat wetenschappelijke kennis (die valt onder logisch, rationeel en in handen van het verstand) bruikbaar moet zijn, terwijl de producten van de kunstenaar (die onder de andere kant van de tegenstelling valt) moeilijk kan verantwoord worden wat bruikbaarheid betreft. Nu moet ik hier meteen aan toevoegen dat deze tegenstelling complexer is dan men op het eerste gezicht zou vermoeden. Het komt evenzeer voor dat wetenschappelijke kennis er zich op beroept volledig nutteloos te zijn - dit geldt zonder enige twijfel in het bijzonder voor de wiskunde en niet verrassend wordt wiskunde vaak als wiskunst gezien -, terwijl de kunstenaar via de weg van de toegepaste kunst maatschappelijk relevante resultaten produceert (is architectuur niet het mooiste voorbeeld?).
    5. De tegenstelling theoretisch-praktisch: net zoals de voorgaande tegenstelling is het ook hier niet altijd duidelijk aan wie de polen van de tegenstelling toebehoren. Zowel in het wetenschappelijke als in het kunstzinnige, zien we zowel theoretische als praktische componenten. Maar dat het praktische bijna een soort "neveneffect" is van het theoretische, dan lijkt wel algemeen aanvaard.
    6. De tegenstelling meetbaar-onmeetbaar: ik ben geneigd te schrijven "geen commentaar".
    7. De tegenstelling kwantiteit-kwaliteit: ook hier ben ik geneigd te schrijven "geen commentaar".
    8. De tegenstelling geest-lichaam: is de geschiedenis van de westerse cultuur met haar diepe wortels in het Christendom denkbaar zonder deze tegenstelling? Tezamen met de reeds vermelde tegenstelling rationaliteit-irrationaliteit, dragen wij al meer dan tweeduizend jaar (de last van) deze oppositie met ons mee. Bovendien willen we in de meeste gevallen de twee bij voorkeur gescheiden zien (in contrast met wat de geneeskunde ons probeert duidelijk te maken).
    9. De tegenstelling letterlijk-figuurlijk (metaforisch): de vraag die werd gesteld bij de vorige tegenstelling kan zonder probleem worden herhaald: is onze cultuur denkbaar zonder haar specifieke zienswijze op wat taal is en hoe taal werkt? Waar hebben wij ooit dit vreemde idee opgedaan dat taal toestanden zou beschrijven zoals ze zich werkelijk voordoen, wat ons dan toelaat om de gedachte te verdedigen dat taalgebruik letterlijk zou zijn? Met het onvermijdelijke gevolg dat de wetenschappen, die zich precies tot taak hebben gesteld de wereld te beschrijven, zich het letterlijke hebben toegeëigend, terwijl al het andere, het figuurlijke, het metaforische, het omschrijvende ... tot de kunst wordt gerekend of tot het nog niet voldoende expliciet gearticuleerde (denk aan het cliché dat ideeën in wording altijd in metaforen worden uitgedrukt).
    10. De tegenstelling zuiver-onrein: hoe onze cultuur omgaat met hygiëne spreekt, zou ik zeggen, boekdelen. Zei Kant "Durf te denken!", dan zou je nu kunnen zeggen: "Durf (eens) te zweten!".
    11. De tegenstelling (absolute) zekerheden-twijfel: hoeveel filosofen, Descartes voorop, hebben niet geprobeerd om totaal onbetwijfelbare fundamenten, absolute zekerheden dus, voor onze kennis te vinden zodat we eindelijk zouden beschikken over eeuwige kennis? Ik vermeld specifiek Descartes omdat hij het geniale inzicht heeft gehad om de andere pool, namelijk de twijfel, als vertrekpunt te nemen om te komen tot de zekerheden. Die zekerheden die het resultaat zijn van de meest methodische twijfel mogelijk, moeten toch wel de meest absolute zijn die men zich kan voorstellen.
    12. De tegenstelling man-vrouw: geen commentaar.

    Ik laat de lijst hier stoppen. Zoals gezegd, zijn er zonder enige twijfel nog meer tegenstellingen te vinden. Hoe sterk deze tegenstellingen wel verankerd zijn in ons denken, laat zich illustreren door het feit dat men zelfs heeft geprobeerd om ze te koppelen aan de structuur van ons brein. Hoevelen zijn niet laaiend enthousiast over de identificatie van het rationele-verstandelijke-logische denken met de linkerhersenhelft en het irrationele-emotionele-intuïtieve denken met de rechterhersenhelft? In het verlengde daarvan wordt al snel gedacht dat, als het in de hersenen gedrukt staat, het wel aangeboren zal zijn en dus praten we over aangeboren talenten en (goddelijke) vermogens en onvermijdelijk wordt het leerproces een lapmiddel voor hen die helaas talentloos op deze aardbol verschenen zijn (those who can do, those who can't teach hoort hier ook thuis).
    Ik zal hier niet mijn positie verdedigen dat dergelijke opvattingen best als fundamentele vergissingen zoniet als grappigheden en excessen worden gezien. Laat ik daarentegen wel de volgende essentiële punten opmerken:


    1. In elk koppel tegenstellingen is er één component te vinden die verondersteld wordt de bovenhand te halen op de andere. Zo zou de mens een volkomen rationeel wezen kunnen zijn indien hij of zij niet zou "meegesleurd" worden door zijn of haar passies. Zo is de contemplatieve, beschouwende mens die kennis omwille van de kennis liefheeft, meer, ja zelfs beter dan de praktische, ondernemende mens. Maar tegelijkertijd moet men toch vaststellen dat in een reëel mensenleven beide componenten van de tegenstellingen een voortdurende strijd leveren. Elke mens van vlees en bloed die wel "last" heeft van zijn of haar emotionele leven, wordt daardoor automatisch een "mindere" mens en krijgt de onmogelijke opdracht mee een onhaalbaar ideaalbeeld te realiseren. Vaker dan niet resulteert dit in diepe frustraties en, wat zo mogelijk het ergste is, een negatief zelfbeeld.
    2. Bij de opsomming van de tegenstellingen, heb ik er een paar keer reeds naar verwezen dat de bijna tot cliché uitgegroeide tegenstelling tussen wetenschapper en kunstenaar hier zijn voedingsbodem vindt. Wij verbazen ons allang niet meer over de fysicus of scheikundige die niet weet wat hij of zij aanmoet met een action painting doek van Jackson Pollock of de geometrisch abstracte schilder (denk bijvoorbeeld aan Piet Mondria(a)n) die meewarig lachte met de wiskundige omdat die zo houdt (om niet te zeggen bezeten is) van symmetrie. Meer zelfs, we hebben de indruk dat het zo hoort.

    In één zin samengevat, vormen deze tegenstellingen ook de grond voor het drama van de twee culturen (en, om precies te zijn, het drama van de drie culturen, want naast wetenschappers en kunstenaars zijn er ook nog "gewone" mensen, ongeveer het gros van de mensheid). Ik verwijs hiermee uiteraard naar het essay van C. P. Snow, 'The Two Cultures' (Cambridge: Cambridge University Press, 1993; de oorspronkelijke tekst dateert van 1959).
    alziendoog
  3. Naar een nieuw mensbeeld.

    Laat ik zonder meer meteen mijn centrale stelling in de tempel gooien: de opdracht waarvoor we staan is het "overstijgen" of het "doorbreken" van deze tegenstellingen. Een radicale oplossing bestaat eruit de termen en de woorden zelf te vervangen door nieuwe concepten en begrippen. Maar dat is een taak die ongeveer niemand kan waarmaken. Uiteindelijk zal hoe dan ook het nieuwe spreken moeten geënt worden op het oude spreken en dus zullen de oude tegenstellingen niet werkelijk kunnen geweerd worden. Het kan zeker niet de bedoeling zijn een vorm van Esperanto te ontwikkelen waarbij we tolken nodig hebben om te begrijpen wat er wordt gezegd. Er is, naar mijn idee, een subtielere vorm die kan benut worden. Laat ik ter illustratie de tegenstelling rationeel-irrationeel nemen. Zoals ik die tegenstelling begrijp, betekent dit dat het geheel van menselijke handelingen (als we ons daartoe beperken) wordt opgesplitst in twee grote delen: de rationele handelingen aan de ene kant en de irrationele handelingen aan de andere kant. Overloopt men de andere tegenstellingen van de lijst hierboven dan zal men vaststellen dat ze op dezelfde wijze een bepaald domein, zij het handelingen, zij het denkprocessen, opdelen in twee elkaar uitsluitende delen. Hiermee wordt dan ook onvermijdelijk gesuggereerd dat die handeling die "rationeel" wordt genoemd, "vrij" is van alle irrationele elementen (en omgekeerd). De wiskundige die een bewijs uitschrijft handelt uitsluitend rationeel, terwijl een kunstenaar die een doek concipieert uitsluitend irrationeel, intuïtief, gevoelsmatig bezig is. De wiskundige kan ons wél vertellen over het denkproces dat heeft geleid tot het antwoord, terwijl de kunstenaar alleen de schouders kan ophalen en verklaren dat hij of zij ook niet weet hoe dit allemaal mogelijk is. Als er dan toch een naam moet gevonden worden, dan volstaat vaak al of niet goddelijke inspiratie. Waaruit bestaat de subtielere vorm? De basisgedachte is dat, als men persé met de tegenstellingen wenst te werken, men ze niet hanteert om een opsplitsing te maken - bijvoorbeeld handelingen indelen in rationeel of irrationeel - over het geheel, maar om precies binnen elke individuele handeling het onderscheid te maken. Er is geen zuiver rationele handeling, er is geen zuiver emotionele daad; in elke daad zijn de twee aanwezig. Wanneer we op deze wijze een mensbeeld zouden ontwikkelen, dan zal men vaststellen dat het veel dichter aansluit bij een levende, reële mens en niet bij een onhaalbaar ideaalbeeld. Deze laatste bewering durf ik neer te schrijven omdat in een aantal wetenschappen zich de eerste tekenen aandienen die wijzen in de richting van een nieuw mensbeeld. Er is op dit ogenblik al voldoende bewijsmateriaal om de gedachte te ondersteunen dat denken in tegenstellingen over het geheel een niet vruchtbare manier van denken is.
    Ik kan jammer genoeg dit materiaal niet presenteren, maar graag wil ik toch volgende opmerkingen kwijt opdat men een minimaal idee zou hebben:


    1. In de wiskunde heeft men moeten vaststellen dat er meer aan de hand aan is dan alleen maar een rationeel denken. Ook de wiskundige moet bij het zoeken naar bijvoorbeeld een bewijs gebruik maken van strategieën en heuristieken. Dit brengt onvermijdelijk frustraties en vreugdemomenten mee, momenten van valse hoop en diepe teleurstellingen. Zoals elke probleemoplossende activiteit is dit een zeer emotioneel geladen situatie, precies omdat men de rede op de spits wil drijven.
    2. Naar de logica toe stelt men precies hetzelfde vast. Maar er is bovendien een "amusant" bijkomend probleem. Logici door de eeuwen heen hebben hun uiterste best gedaan om te komen tot een stel denkregels die zouden overeenstemmen met het ideaal rationeel denkende wezen. Grote verrassing in de tweede helft van deze eeuw: dat wezen blijkt niet te bestaan. Mensen in hun alledaagse situaties lappen de regels van de logica regelmatig aan hun laars en men heeft natuurlijk de neiging om te denken: zo, nog een extra bewijs dat de uitdrukking "homo sapiens sapiens" de grappigste overdrijving aller tijden moet zijn. Aan de andere kant zijn de afwijkingen te systematisch om er geen oorzaak voor te zoeken. Nog grotere verrassing: de zogenaamde denkfouten kunnen teruggebracht worden op de menselijke geschiedenis, op de wijze(n) waarop de mens de wereld heeft leren zien en ervaren met de bedoeling erin te overleven. Of, kort samengevat: wat voorheen fouten waren, zijn nu "fouten" geworden.
    3. In (b) heb ik het punt van overleven aangeraakt. Op die lijn verder redenerend, kan men vanuit evolutionair oogpunt de opvatting verdedigen dat de werking van emoties als zeer rationeel te duiden is. Er is zonder enige twijfel een rationaliteit van emoties (bemerk dat ik niet zeg dat emoties zelf rationeel zijn, maar de werking ervan). Ze zijn even cruciaal om te overleven als onze "verstandelijke" vermogens.
    4. Naarmate men meer weet over de werking van het brein en het menselijk lichaam wordt het duidelijk dat de scheiding van "geest" en lichaam werkelijk geen steek houdt. Al was het maar de nauwe verwantschap tussen de zintuigen en het menselijk brein, al was het maar de nauwe verwantschap tussen lichamelijke en geestelijke gezondheid, al was het maar tussen motoriek van het menselijk lichaam en het menselijk brein. Ik durf hier onomwonden beweren dat dit de diepste tegenstelling zal zijn om te overstijgen. Ze is dermate diep geworteld in onze cultuur met zijn Grieks-christelijke oorsprong dat ze er een bepalende factor van geworden is. Blijven wij toch niet het lichaam als een appendix bij de geest denken? Een kerker waaruit de ziel moet bevrijd worden? Een hinderlijk ding dat het zuivere denken hindert?
    5. De tegenstelling tussen creatief denken aan de ene kant en logisch-mathematisch denken aan de andere kant, zoals ik het hierboven reeds heb aangehaald, is een totaal valse tegenstelling. Het creatief proces laat zich wel degelijk bestuderen; er zijn zelfs (toegegeven, zeer elementaire) computerprogramma's die bepaalde aspecten van het creatief proces imiteren. We lijken hier nog altijd veel te veel slachtoffer van de negentiende eeuwse romantische traditie die het creatief proces als niet toegankelijk en dus derhalve als niet te bestuderen wou zien. Om toch één voorbeeld aan te halen: als men het oeuvre van de reeds vermelde Piet Mondria(a)n overloopt, dan kan men toch moeilijk ontkennen dat hierin een lijn, een ontwikkeling, een samenhang, dus een "logica" terug te vinden is.

    Mondriaan

    We staan dus voor de "opdracht" zo om te gaan met deze tegenstellingen dat hun verhoudingen worden herdacht. Het belangrijkste element is ongetwijfeld dat de twee polen van de tegenstellingen een evenwaardige positie krijgen, hoe moeilijk dit in de praktijk ook zal zijn. Lukt dat nog niet meteen, dan is het al heel wat als met beide kanten van de tegenstelling(en) op een volwaardige wijze wordt rekening gehouden zodat we een vollediger en rijker beeld van de mens zullen krijgen. Men zal misschien opmerken dat het dan maar een pover mensbeeld zal zijn, maar een ideaalbeeld op oneindig is zo gevaarlijk én tegelijk deprimerend, wegens onhaalbaar, dat een reëler mensvisie misschien wel noodzakelijk is.

  4. Kleine slotbeschouwing.

    Een andere manier om dit bouwstuk samen te vatten is deze. Enige jaren terug heeft Douglas Hofstadter het ondertussen bijna legendarisch geworden boek 'Gödel, Escher, Bach. An Eternal Golden Braid' (New York: Basic Books, 1979) gepubliceerd. Bekijkt men deze drie namen (los van de vermoedelijke onbekendheid van Kurt Gödel, de logicus) en waarvoor zij staan, dan lijkt het eigenlijk wel evident dat zij samengaan. Logici en wiskundigen dwepen met de mathematische structuren van de werken van Bach en wie kent niet de etsen van Escher waar de logische en/of visuele paradoxen letterlijk uitgebeeld worden. Ik noem dit samengaan evident omdat de ene zichzelf terugzoekt in de andere: het gaat niet zozeer om het luisteren naar een fuga van Bach, om de rationele-emotionele affecten die worden opgewekt, maar om een abstracte studie van patronen die in dit geval toevallig met noten worden uitgedrukt. Het is mijn hoop dat, indien dit nieuwe mensbeeld een uitwerking zou kunnen krijgen, een boek, of beter boeken zullen geschreven worden met titels zoals Gödel, Schiele, Strawinsky of Gödel, Mondriaan, Palestrina of Gödel, Dali, Varèse of ...

 Bibliografie:

  Geschreven door:
  Jean Paul Van Bendegem
  A:.L:. Baken

perfectibiliteit


bar

[http://www.wenteltrap.be/]