Plato
|
De allegorie van de grot Plato leefde in Athene van 427 tot 347 voor onze tijdrekening. De tegenstellingen tussen Sparta en Athene hebben een grote invloed uitgeoefend op zijn werk. Hij was de leermeester van Aristoteles en Socrates was zijn grote voorbeeld.Drie werken zijn van belang, namelijk: 'De Staat' (Politeia), 'De Staatsman', en 'De Wetten.' De filosofische methode van Plato is niet gericht op de verdediging van een standpunt, zoals de sofisten dat deden (waaronder Protagoras) maar op het zoeken naar waarachtigheid; de 'Idee', de volstrekte werkelijkheid komt vooral tot uiting in zijn 'allegorie van de grot'. Wat de zintuigen ons leren is slechts relatieve kennis. De ware kennis is volgens Plato absoluut en niet relatief. Waarheid stoelt niet op kennis maar op inzicht. Waarheid behoort tot een andere orde dan de ervaring, zij is transcendent. Het is daarom erg moeilijk om tot de waarheid door te dringen, zolang de ziel gevangen zit in een lichaam. Zowel bij Socrates als bij Plato speelt de ziel een voorname rol. In 'Phaedrus' stelt Plato op zeer rake manier de ziel voor door een wagenmenner die twee paarden in bedwang moet houden. Het ene paard is keurig, evenwichtig en bescheiden terwijl het andere paard brutaal, ongemanierd is en niet luistert naar de rede. Wanneer de wagenmenner zijn geliefde ziet, probeert het ene paard ontroerd in de ogen van de geliefde de ware schoonheid te herkennen; terwijl het andere paard raast en dronken van geilheid op de geliefde afstormt. Die treffende schets van Plato confronteert ons met onze eigen driften en verscheurdheid. Waarheid is daarom van de orde van het zijn en niet van het worden. Wat voor ons nieuw is, is van de orde van het worden. In die orde heeft de wereld ook een en ander te bieden. Ervaringen, hypothesen en opinies zijn niet altijd van slechte kwaliteit. Nieuwe dingen kunnen leerzaam zijn. Maar ware kennis is niet nieuw, ze behoort niet tot het aardse, ze is deel van de ziel, die alleen tijdelijk in een lichaam verblijft. Dat de waarheid niet is zoals wij ze voorstellen, maakt Plato duidelijk in zijn allegorie van de grot. Het verhaal gaat als volgt. Een aantal mensen is opgesloten en geketend in een grot, waar ze enkel naar de wand kunnen kijken. De gevangenen kunnen niet bewegen zodat ze elkaar niet kunnen zien. In hun rug brandt een vuur. Tussen het vuur en de gevangenen loopt een weg en langs die weg is er een muurtje, waarlangs allerlei voorwerpen worden gedragen waaronder beelden van dieren en mensen. De voorwerpen steken boven het muurtje uit, net zoals bij een poppenkast en sommige voorbijgangers praten met elkaar. De gevangenen hebben nooit iets anders gezien dan de schaduwen. Voor hen is de werkelijkheid dus niet anders dan de schaduwen van de voorwerpen. Het verhaal gaat voort na de bevrijding van één van de geketenden. "Wanneer één van hen zou worden losgemaakt en hij zou worden gedwongen plotseling op te staan en zijn nek om te draaien hij dan, wanneer hij al die dingen doet, pijn zal lijden en door de schitteringen niet in staat zou zijn de dingen duidelijk te onderscheiden, waarvan hij toen alleen de schaduw zag..." De bevrijde man zal uiteindelijk na enige gewenning naast de schaduwen ook de mensen, de dingen het licht, de sterren en de maan kunnen aanschouwen. Plots kan hij waarnemen hoe onvolmaakt de schaduwen van de dagdagelijkse realiteit wel zijn. "En daarna zal hij concluderen dat de zon zoals zij is, de seizoenen verschaft en de jaren en alles in de wereld van het zichtbare bestuurd en dat zij verantwoordelijke is voor al die dingen die zij zagen op een of andere manier." De man prijst zichzelf gelukkig en probeert om de opgedane ervaringen aan zijn medegevangenen mee te delen. Maar zijn medegevangen vinden hem belachelijk en ze willen niet dat hij hen bevrijdt. Plato stelt de zintuiglijk waarneembare wereld gelijk aan die van de gevangenis, het vuur is het licht van de zon en de weg omhoog naar de buitenwereld is de weg omhoog van de ziel naar de kenbare wereld, de Idee van het Goede, die slechts met veel moeite zichtbaar wordt. De gevangenis, de grot, is daarmee het evenbeeld van ons gewone denken. De werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet, heeft de waarde van de schaduwen. De vrijgekomen gevangene beeldt de verheffing van de ziel tot wereld van de Ideeën uit. Om te kunnen zien is het niet voldoende dat iets zichtbaar is en dat wijzelf met gezichtsvermogen zijn toegerust. Er is nog iets anders nodig: 'licht.' Pas als de ogen zich richten op wat door de zon beschenen wordt, kunnen ze helder zien. En zo vergaat het ook de ziel, die zich richt op het ware. Het is de Idee van het goede die de waarheid doet schijnen over dat wat voor de ziel inzichtelijk is. In die zin staat het goede nog boven de waarheid en het inzicht. Zo is de plaats van het goede in het rijk der Ideeën te begrijpen als die van de zon, die de bron is van het licht, in het domein van het zichtbare. Volgens Ringoet blijft de problematiek die Plato aansnijdt brandend actueel. Wij zijn de gevangenen die enkel de schijn zien - de direct waarneembare wereld. De werkelijkheid wordt door de manipulatie van het machtapparaat zoveel mogelijk ontrokken aan onze blikken. Geregeld worden wij door de media en door de autoriteiten ingelicht welke schijnwerkelijkheid achter de schaduwbeelden schuil gaat. Af en toe slaagt een enkeling er in om de grot van de schijn te verlaten en via juist inzicht leert hij de werkelijkheid kennen. Hij heeft dan ook alle moeite van de wereld om aan zijn medegevangenen mee te delen wat hij in werkelijkheid heeft gezien. Gewoonlijk wordt hij dan uitgelachen, vijandig bejegend of gemarginaliseerd. Bibliografie: - Plato, verzameld werk. Frank de Win. - Was Plato schizofreen? Karel Ringoet. - Geschiedenis van de Westerse Filosofie. Bertrand Russel. - Tien Westerse filosofen. Redactie Machiel Keestra. - Een andere geschiedenis van de filosofie. Robert Solomon, Kathleen Higgins |