|
|
Pythagoras bestempelde zichzelf als philosofos, een filosoof of iemand die de wijsheid
liefheeft. Toen hij de vraag werd gesteld of hij "wijs" was antwoordde hij
steeds ontkennend maar benadrukte dat hij de wijsheid liefhad. Het is net die
onophoudelijke zoektocht naar waarheid, het continue nadenken en zichzelf en
zijn omgeving in vraag stellen zonder te vervallen in pasklare antwoorden, die
iemand tot filosoof maken.
Veel van zijn kennis deed hij op in Egypte en Azië.
Volgens Pythagoras is alles afhankelijk van de getallen. De wiskunde is voor hem de
sleutel tot het universum. Steunend op de theorie van de verhoudingen toont hij
de aard van de muziek aan alsook de bewegingen van de hemellichamen. Hij is de
ontdekker van de irrationele getallen; de getallen die niet door middel van een
breuk (dus door deling van gehele getallen) kunnen voorgesteld worden (voorbeeld
Pi).
De Egyptenaren wisten dat een
driehoek met als zijden 3, 4 en 5 een rechthoekige driehoek was, maar het was
Pythagoras die de stelling uitbreidde voor willekeurige rechthoekszijden,
namelijk dat de som van de vierkanten op de rechthoekszijden
is gelijk aan het vierkant op de hypotenusa. Hij trachte de rekenkunde te maken
tot grondslag voor zowel de natuurkunde als de esthetica.
Belangrijkst zijn Pythagoras' complexe gedachten over de ziel, het leven na de dood en de
juiste levenswijze. Plato prijst Pythagoras in zijn werk getiteld: "De Staat",
voor de wijze waarop hij leiding gaf aan een groep leerlingen die generatie op
generatie een levenswijze aan elkaar doorgaven.
Volgens Pythagoras was wiskundige
kennis zeker en exact en van toepassing op de rest van de wereld.
De wiskunde voldeed aan een ideaal; vermits kennis verkregen werd door te denken
en dat daarvoor geen observatie nodig was. Het denken is daarmee superieur aan
de zintuiglijke waarneming, de intuïtie aan de observatie. Als de zintuiglijk
waarneembare wereld niet in overeenstemming was met de wiskunde dan lag dat aan
de zintuiglijk waarneembare wereld.
De invloed van
de meetkunde op de filosofie en het wetenschappelijk denken is zeer ingrijpend
geweest. De meetkunde zoals die door de Grieken werd ontwikkeld gaat uit van
axioma's, die vanzelfsprekend zijn en leidt door deductie tot theorema's die
allesbehalve vanzelfsprekend zijn. Het schijnt op die manier dus mogelijk om
dingen te ontdekken betreffende de empirische wereld door eerst te constateren
wat vanzelfsprekend is en vervolgens te deduceren. Volgens Bertrand Russell, de
bekende historicus, vormt de wiskunde de voornaamste bron voor het geloof in een
eeuwige en exacte waarheid, evenals in een bovenzinnelijke, intelligibele
wereld. Russell volgt daarmee Hegel die stelt dat Pythagoras de Griekse wereld
deed overhellen van een religieuze denkwijze naar een rationele denkwijze.
Bibliografie:
- Een andere geschiedenis van de filosofie, Robert Solomon en Kathleen Higgins
- Pythagore et les Pythagoriciens, Jean- François Mattei.
- Geschiedenis van de Westerse filosofie, Bertrand Russell
- De grote ingewijden, Edward Schuré

[http://www.wenteltrap.be/]
|