|
|
|
'Wanneer de Vorst des lichts slaet aen de gulden toomen
Sijn handt, en beurt om hooch aensienlijck wter zee
Sijn wtgespreide pruick van levend goudt, waermee
Hij naere anxtvallicheit, en vaeck, en creple droomen
Van 's menschen lichaem strijckt, en berch, en bos, en boomen,
En steeden vollickrijck, en velden met het vee
In duisternis verdwaelt, ons levert, op haer stee,
Verheucht hij, met den dach, het Aerdtrijck en de stroomen:
Maer d'andre starren als naeijvrich van sijn licht,
Begraeft hij, met sijn glans, in duisternissen dicht,
En van d'ontelbaere schaer, mach 't niemand bij hem houwen.
Al eveneens, wanneer uw geest de mijn roert,
Word jock gewaer dat ghij in 't haylich aenschijn voert
Voor mij den dach, mijn Son, de nacht voor d'andere vrouwen.'
|
Een bouwstuk over verlichting en Verlichting, dus met en zonder kapitaal, beginnen met een liefdesgedicht van P.C. Hooft,
kan u op het eerste gezicht onorthodox lijken. Toch is deze inleiding helemaal niet toevallig. Toegegeven, ook de schoonheid
van het sonnet, dit gedicht dat tot de mooiste, meest evenwichtige van de Nederlandse Petrarca behoort, ook het esthetische
aspect heeft hier een rol gespeeld. Bouwstukken moeten volgens mij niet alleen informatief en maçonniek relevant zijn, zij
moeten ook zo mooi mogelijk worden gebracht.
Waarom dan dit gedicht? Het antwoord hebt u ongetwijfeld zelf reeds gevonden: omdat hier, wanneer we even de erotisch getinte
slotverzen vergeten, en ons op de breed uitgewerkte vergelijking concentreren, de lof wordt gezongen van het licht dat de
duisternis, en daarmee de angst, verdrijft. Het betreft hier natuurlijk een visie die zo oud is als de mens: de angst voor de
duisternis, waarin de dagelijkse dingen vertekend, versluierd worden en daardoor vaak onherkenbaar en misleidend zijn.
Maar op een bepaald ogenblik in de ontwikkeling van de westerse samenleving is deze oude metafoor bijzonder actueel geworden,
en is zij uitgegroeid tot een symbool waarmee meteen een ware omwenteling in onze wereld werd uitgedrukt: de Verlichting.
Het is onmogelijk deze revolutionaire en complexe verandering in een zo kort tijdsbestek als een bouwstuk toe te lichten, en
ik moet me dan ook noodgedwongen beperken tot enkele aspecten ervan, die ook relevant zijn voor de vrijmetselarij.
Daarom wou ik het vanmiddag hebben over Verlichting en verlichting.
Dus ook zonder kapitaal. Er bestaat immers een duidelijk verband tussen de geestelijke en intellectuele Verlichting, en
de doorbraak van het
'echte', fysische licht in de westerse wereld, een licht dat van alledaags verschijnsel tot waardevol
studieobject werd gepromoveerd, dat het onderwerp van schitterende verhandelingen werd, maar dat ook als kunstmatig opgewekt
verschijnsel de duisternis in de nachtelijke straten zou verdrijven.

Voor de Verlichting als filosofisch onderbouwde beweging, waarin het beste van de westerse intelligentie tot uiting kwam,
is de wetenschap, de 'Scienza Nuova', zoals Giambattista Vico (
1668-1744) ze noemde in zijn gelijkluidend tractaat uit 1725
(1730), immers van enorm belang geweest. Het heeft geen zin te gaan speculeren over de kip en het ei, en zich af te vragen wat
er eerst was: de wetenschap of de filosofie, omdat ze beide aspecten waren van een zelfde kritisch denken, een radicaal
onderzoek naar de fundamenten van een wereldbeeld. Het mag in dit verband symptomatisch worden genoemd dat een van de
grootste wegbereiders van de 18de-eeuwse Verlichting zowel denker als glazenslijper was, en dat hij ook over fractie
en reflectie van het licht heeft geschreven: Spinoza (1632-1677).
De verhandeling Stelkonstige Reeckening van den Regenboog, Dienende tot naedere Samenknoping der Natuurkunde met de
Wiskonsten, die aan Spinoza wordt toegeschreven, verscheen in hetzelfde jaar als de Principia van Newton: in 1687,
dat wil zeggen een jaar voor de Glorious Revolution, die een sociale en politieke evolutie op gang bracht, waar ook
de speculatieve vrijmetselarij enkele decennia later door zou worden geïnspireerd. Alleen de manier waarop u, ZZ:.,
in deze tempel van aangezicht tot aangezicht plaats hebt genomen, reveleert een discreet verband tussen de prille
parlementaire democratie van het toenmalige Verenigd Koninkrijk, en de moderne vrijmetselarij.
Voor dit bouwstuk is het reeds geciteerde werk van Newton evenwel minder belangrijk dan zijn Opticks, waarvan de eerste
versie in 1704 verscheen, maar waaraan hij later nog een aantal verbeteringen toevoegde. Met name de
'Queries', de stellingen
over de experimentele wetenschap, zijn van belang voor het hierboven aangehaalde verband tussen wetenschap en filosofie, in
casu moraalfilosofie. Newton formuleerde het als volgt:
'And if Natural Philosophy in all its Parts, by pursuing this Method,
shall at length be perfected, the Bounds of Moral Philosophy will be also enlarged.'
Wat de Verlichtingsfilosofen precies
verstonden onder 'moral philosophy', lezen we in
An Enquiry Concerning Human Understanding (1748) van David Hume (1711-1777).
Hij noemt deze discipline 'the science of human nature'.
Maar reeds in zijn jeugdwerk A Treatise of Human Nature (1739) had
hij zijn tekst omschreven als
'an attempt to introduce the experimental method of reasoning into moral subjects'.
Ik kom zo meteen terug op het thema 'natuur', maar ik wil eerst
uw aandacht vestigen op een allegorisch gedicht van de hand
van J.T. Desaguliers, vrijmetselaars welbekend, met de veelzeggende titel The Newtonian System of the World: The Best Model
of Government, an Allegorical Poem. De allegorie als stijlfiguur was de jonge speculatieve vrijmetselarij niet onbekend
(denk maar aan de mythologie van Andersons Constitutions), maar ook de datum van publicatie is niet onbelangrijk: 1728, dus
eigenlijk in het kielzog van de eerste statuten. Als wetenschapper èn filosoof was Desaguliers goed geplaatst om de
perspectieven van Newtons fysica te detecteren, temeer daar de meester zelf op de mogelijkheden had gewezen.
Door de moderne fysica als een staatkundig model te interpreteren, overschreed de visie van Desaguliers de strikt
wetenschappelijke grenzen van dit systeem en transponeerde hij het naar een breed maatschappelijk niveau. Het is een
typische uiting van het toenmalige maçonnieke denken: de vooruitgang van mens en wereld kan immers alleen maar worden
bewerkstelligd, wanneer de hypothese wordt getoetst aan de werkelijkheid.
In dit filosofisch gedicht, dit achttiende-eeuwse De rerum natura, werd Newton geprezen als
'the unparallel'd,
whose Name No Time will wear out of the Book of Fame.'
Dat was niet de enige literaire passage waarin Newton zijn opwachting
maakte. De bekende dichter Alexander Pope (die eigenlijk wel zijn naam tegen had), typeerde hem nog veel beter,
toen hij schreef:
'Nature, and Nature's Laws lay hid in Night:
God said, Let Newton be! And All was Light.'
Deze lofrede klinkt in ieder geval beter dan de loftuitingen van James Thomson aan Newtons adres in zijn
'Ode to the Memory
of Sir Isaac Newton' (1727):
'Even Light itself, which every thing displays,
Shone undiscover'd, till his brighter mind
Untwisted all the shining robe of day...'
Het licht als fysisch verschijnsel vormt op dat ogenblik de kern of quintessens van de natuur, en de rol die Newton daarin
had gespeeld, valt niet te onderschatten. Zijn systeem werd dan ook meer dan eens gevulgariseerd, zoals o.m. door de
Italiaan Francesco Algarotti in zijn boek Het newtonisme voor dames, dat in 1738 op de Index Librorum Prohibitorum werd
geplaatst. De Britse historicus Roy Porter merkt in zijn boek Enlightenment. Britain and the Creation of the Modern World
(2000) op dat 'The key Enlightenment concept was Nature' (295).
Ik verwijs nog maar eens naar Alexander Pope, met name naar
zijn Essay on Criticism (1711), waar hij schrijft:
'Unerring Nature, still divinely bright,
One clear, unchang'd, and Universal Light,
Life, Force, and Beauty, must to all impart,
At once the Source, and End, and Test of Art.'
In de ontdekking en omschrijving van het licht, en in de verdere consolidatie ervan als kennis, rede en Verlichting,
hebben de Verenigde Provinciën een niet onbelangrijke rol gespeeld. Ik heb reeds verwezen naar Spinoza en de aan hem
toegeschreven verhandeling over de regenboog. Ergens in de tekst heeft de auteur het over
'verscheyde stralen komende
uyt het lighaem der zonne' om de werking van het licht uit te drukken.
Toen ik deze tekst voor het eerst las, bleef mijn blik een tijdje op de hier aangehaalde woorden rusten.
Ik vond en vind deze formulering zo mooi en zo maçonniek, dat ik ze nooit meer ben vergeten.
Immers, ook alle mensen op aarde kunnen worden beschouwd als diverse stralen uit het
'lichaam' van de zon, d.w.z. uit de bron van licht en dus kennis, die de eerste voorwaarde is om een betere wereld tot
stand te brengen. En om de aanwezigheid van Spinoza in dit bouwstuk nog meer te rechtvaardigen, wil ik opmerken dat ik
hem beschouw als een van de belangrijkste denkers uit de westerse geschiedenis, zonder wie de weg naar de Verlichting nog
langer en moeilijker, en misschien wel onvindbaar zou zijn geweest.

Spinoza was evenwel niet de enige zestiende-eeuwse denker die met het licht bezig was. De Britse historicus Jonathan Israel
heeft in zijn briljante studie Radical Enlightenment. Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750 (2001), maar ook
vroeger reeds, in The Dutch Republic. Its Rise, Greatness and Fall 1477-1806 (1995), uitvoerig bewezen dat de jonge republiek
van de Verenigde Provinciën een heel belangrijke bijdrage aan de Verlichting heeft geleverd. Natuurlijk is daar in de eerste
plaats de hele entourage van Renè Descartes, die zich in 1628 voorlopig definitief in Nederland vestigt, en door Spinoza's
vriend Lodewijk Meyer in diens voorrede bij De beginselen van de wijsbegeerte (een 'kritische' lezing van Descartes)
'het helderste licht van onze eeuw' werd genoemd.
De Franse filosoof bouwt er een kennissenkring op, waarbij ook de familie Huygens
betrokken wordt: zo is de wiskundige Frans van Schooten (1615-1666), een vriend van Descartes, de leraar van Christiaan Huygens
(1629-1695), wiens Traitè de la Lumière (1690) perfect past in de hier behandelde problematiek. Huygens werkte overigens samen
met Spinoza aan optische instrumenten. En ook andere Nederlandse geleerden ontwierpen of perfectioneerden de praktische
optica: Cornelis Drebbel (1572-1633) vond niet alleen de thermometer, maar ook de microscoop uit. Dit instrument werd echt op
punt gesteld door de leraar anatomie Jan Swammerdam (1637-1680), die overigens de basis legde voor de entomologie in zijn boek
Algemeene Verhandeling van de bloedeloose dierkens (1669). Ik vermeld tot slot Anthonie van Leeuwenhoek (1632-1723),
wiens microscopen zo bekend waren dat Peter de Grote tijdens zijn reis naar Holland (1697) speciaal voor hem Delft aandeed.
Wanneer ik even over deze wetenschappers uitweid, is het precies omdat zij allen ook bezig waren met het licht in al zijn
facetten. Straks zal ik het hebben over de filosofische betekenis van het licht, maar eerst wil ik dit gegeven uitwerken.
In het reeds aangehaalde werk van Roy Porter vindt men een aantal merkwaardige uitspraken van reizigers in het 18de-eeuwse
Engeland genoteerd. De bekende kosmopoliet De Saussure stelde bijvoorbeeld tot zijn verwondering vast dat de meeste straten
van Londen behoorlijk verlicht waren. Hij beschrijft hoe voor ieder huis een lantaarn hangt, of een
'globe of glass', waarin
een lamp staat die de hele nacht brandt. Ook andere toeristen deelden dat enthousiasme. Een van hen merkte op dat er in Oxford
Street meer lampen brandden in heel Parijs. En een Duitse prins meende dat al die lichten te zijner ere waren opgehangen.
Wat Porter echter niet vermeldt, is dat het eerste systeem van straatverlichting ontworpen was door een Nederlander, de
uitvinder Jan van der Heyden (1637-1712). Hij maakte een straatlamp uit metaal en glas, met beschermde openingen, zodat de
rook naar buiten kon en de wind niet naar binnen. De lampen konden de hele nacht branden op een mengsel van plantaardige
oliën en katoen. Tegen januari 1670 was de hele stad Amsterdam verlicht met 1800 lantaarns, die ofwel op palen ofwel tegen
de gevels waren aangebracht. Van der Heyden berekende zelfs de ideale afstand tussen de lantaarnpalen om het effect optimaal
te maken.
De straatverlichting speelde een belangrijke rol in het leefbaar maken van de stad, met andere woorden in het bevorderen van
de sociabiliteit. Er kwamen immers strenge straffen op het beschadigen van deze lantaarnpalen, en zelfs op andere daden die de
toegankelijkheid voor de lantaarnopstekers verhinderden: er mochten geen paarden aan worden vastgemaakt, en er mocht zeker geen
vuilnis worden achtergelaten. De straatverlichting bleek dan ook een doeltreffend middel bij de bestrijding van
straatcriminaliteit. Het systeem werd dan ook heel spoedig in andere Nederlandse en Duitse steden toegepast.
Hoe precair het inmiddels bleef, blijkt uit het voorbeeld van Spanje. Toen Karel III een poging deed om corruptie, misdaad
en onwetendheid te bestrijden, en daarbij in 1766 straatlantaarns liet plaatsen om de kans op overvallen te verminderen,
stuitte hij op een golf van protest, mede doordat hij tegelijk verbood breedgerande hoeden en capes te dragen. Het gevolg
was dat de nieuwe straatverlichting aan diggelen ging.
Maar het is vooral de metafoor van de verlichting die ons hier interesseert. Het woord krijgt op dat ogenblik een andere status,
en het resultaat is de hypostase van de verlichting (uitgedrukt in de kapitaal), net zoals ook de Rede in de 18de eeuw een
transcendentaal begrip wordt. De Rede als instrument van de Verlichting wordt al heel gauw officieel bekrachtigd, o.m. in het
reeds aangehaalde traktaat van Spinoza over Descartes. Hij spreekt er over
'het natuurlijke licht', en ofschoon daar evengoed
mee naar een opperwezen verwezen kan worden, is het duidelijk dat hier eigenlijk de menselijke faculteit van het verstandelijke
wordt bedoeld.
Spinoza's traktaat verschijnt in 1663. Omstreeks die tijd wordt het vrome Nederland bestookt door als
'atheïst' en
'spinozist'
gebrandmerkte schrijvers, die de verdediging van de rede tegen het bijgeloof en het fanatisme op zich nemen. Ik vermeld Pieter
Balling (+ 1669) met Het Licht op de Kandelaar (1662), Adriaan Koerbagh (1632-1669) met Een Licht schynende in Duystere
Plaetsen (1668), en later Balthasar Bekker (1634-1698) met het welbekende De Betooverde Weereld (1691-93).
Deze pioniers zijn vandaag de dag minder bekend dan de groten van de Verlichting, zoals John Locke, David Hume en Immanuel Kant.
Het is vooral deze laatste die vanuit zijn typisch perspectief
'a posteriori' de Verlichting vereert met een definitie die
sedertdien niet meer weg te denken is. In zijn klassiek geworden geschrift Beantwortung der Frage: was ist Aufklärung (1784)
schrijft hij:
'Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft.'
Onmondigheid is het onvermogen zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van een ander. Men heeft deze onmondigheid
aan zichzelf te wijten, wanneer de oorzaak ervan niet in een gebrek aan verstand, maar in een gebrek aan vastberadenheid en
aan moed ligt, zich van zijn verstand zonder leiding door een ander te bedienen. Sapere aude, heb de moed, je van je eigen
verstand te bedienen! is derhalve de zinspreuk van de Verlichting.'
Het is algemeen bekend dat Kant grote bewondering had voor Hume, en dat hij diens inspirerende kracht met nadruk erkende.
En inderdaad, wanneer we de essays van Hume lezen, stellen we vast dat hij met zijn sobere en accurate schrijftrant vaak genoeg
de richting van de Verlichting aanwees. In zijn Enquiry Concerning Human Understanding zet hij zich af tegen wat hij
'obscurity'
noemt. In dat verband merkt hij op:
'Obscurity, indeed, is painful to the mind as well as to the eye;
but to bring light from obscurity, by whatever labour, must needs be delightful and rejoicing.'

Deze strijd tussen licht en duisternis is, zoals we gezien hebben, zowel letterlijk als figuurlijk op te vatten.
Dat blijkt bijvoorbeeld uit een van de bekendste voorbeelden van het onderwerp in de plastische kunsten, met name uit de
kopergravure 'Aufklärung' van Daniel Chodowiecki (1726-1801).
Op de afbeelding zien we op de voorgrond een paard en wagen
achter een voetganger en een ruiter eenzaam op een weg in de schaduw van een donker bos in de richting van een kasteelachtige
nederzetting, waarvan een grote en een kleine toren half achter bomen zichtbaar zijn. De nederzetting baadt al in een helder
licht, dat afkomstig is van de in de verte, achter een bergketen te voorschijn komende zon, een morgenzon die haar stralen ver
een nog schemerige hemel in zendt en die op het punt staat de nevelsluier te verjagen die nog achter de nederzetting hangt.
Chodowiecki zelf gaf de volgende interpretatie:
'Dit hoogste werk van de rede (...) heeft tot dusver nog geen ander algemeen
begrijpelijk zinnebeeldig teken (misschien omdat de zaak zelf nog nieuw is) dan de opgaande zon. Het zal ook wel lang het
passendste blijven vanwege de nevels die altijd uit moerassen, rookvaten en van brandoffers op afgodenaltaren zullen
opstijgen en haar zo gemakkelijk aan het gezicht kunnen onttrekken. Als de zon opgaat, kunnen nevels echter geen kwaad.'
Tussen twee haakjes: Chodowiecki tekende ook andere Verlichtingsthema's, zoals blijkt uit zijn ets
'Toleranz'.
Licht en Verlichting werden in de 18de eeuw een vertrouwd begrip. Volgens William Young was
'The Light of Knowledge now
universally breaking on the world' (1722).
Abraham Tucker vulgariseerde Locke in zijn boek The Light of Nature Pursued (1768).
Mary Wollstonecraft had het ook over 'this enlightened age'
in haar pamfletten A Vindication of the Rights of Men en A
Vindication of the Rights of Woman (1790 en 1792). Samuel Johnson definieerde
'to enlighten' als
'to illuminate, to supply
with light, to exhilarate, to gladden, to supply with sight, to quicken in the faculty of vision.'
(Dictionary of the English Language, 1755). Het verband tussen de letterlijke verlichting en het opvrolijken en verblijden is helemaal niet toevallig.
Met de kennis van het licht en van de zintuigen was de mens op weg naar een wereld die beter gekend kon worden. Ook hier,
zoals in het tolerantiedebat, was John Locke de grote voorloper, aangezien hij in zijn Essay Concerning Human Understanding
(1690) reeds de stelling had verkondigd dat onze kennis via de (visuele) zintuigen komt, en dat de geest een soort camera
obscura is. Het is in dit verband misschien geen toeval dat Lemuel Gulliver de eerste held in de Britse literatuur is die
een bril draagt.
De mensheid verlichten: dat is ook, zoals we reeds gezien hebben, het bijgeloof bestrijden. Georg Christoph Lichtenberg
(1742-1799) schreef een essay over Gewitterfurcht und Blitzableitung (1795) en in zijn Sudelbücher of kladboeken die hij
vanaf 1765 bijhield, legde hij ook de vinger op de kwetsbare plekken van de Verlichting, en niet zonder humor.
'De voor- en nadelen van de Verlichting zou men heel goed kunnen vergelijken met de voor- en nadelen van het vuur.
Het vuur is de ziel van de anorganische natuur; het matig gebruik ervan veraangenaamt ons leven, het verwarmt onze winters
en verlicht onze nachten. Maar dat moeten dan wel kaarsen en fakkels zijn, want aangestoken huizen bij wijze van
straatverlichting, dat is wel een heel slechte manier van verlichten. Ook moet men er kinderen niet mee laten spelen.'
En tot slot:
'Men heeft het vaak over verlichting, en men wenst dan meer licht. Maar wat hebben we in godsnaam aan licht, als de mensen
ofwel geen ogen hebben of, als ze die wel hebben, ze opzettelijk sluiten?
Waarmee we dan toch weer bij Kant zijn aanbeland, wanneer die het heeft over de mensheid in zijn kort geschrift Idee voor een
algemene geschiedenis: '...uit zo krom hout als de mens gemaakt is,
kan niets getimmerd worden dat volledig recht is.'
Licht, verlichting en Verlichting vormen een triade die vergeleken kan worden met de drie lichten waarover wij in onze
werkplaatsen vaak spreken. Ik heb gepoogd een aantal aspecten van deze problematiek te behandelen, en daarbij enkele namen
te noemen van wetenschappers en denkers die ons in een ver verleden op de weg naar het licht hebben geholpen.
Ik heb, helaas te oppervlakkig, gehad over Newton, Hume, Locke, Kant. En ik heb vooral te weinig uitgeweid over Spinoza,
die naar mijn bescheiden mening de belangrijkste voorbereider van de Verlichting is geweest. Spinoza komt, ook voor de
hedendaagse mens, als een schokkende verrassing, want in zijn werken zijn alle mogelijkheden en perspectieven van het
verlichte denken vervat. Met name zijn ethische preoccupaties maken hem ook tot een voorloper van
'onze' vrijmetselarij,
die beschaving, morele waarden en kritisch denken vooropstelt. Veel van zijn gedachten, of anders gezegd: veel van wat in
zijn gedachten besloten lag, zou tot ontwikkeling komen in de hoogdagen van de Verlichting.
De Cyclopaedia (1728) van Ephraim Chambers vormde de basis van de beroemde Encyclopèdie van Denis Diderot en Jean le Rond
d'Alembert, die overigens naar hun voorgangers verwijzen. Het eerste deel verscheen in 1751, en het project was pas beëindigd
in 1772, maar het boek werd reeds in 1760 op de Index geplaatst. Hun definitie van
'sociaal' als een woord
'ter aanduiding van
de eigenschappen waardoor de mens van nut is voor de samenleving, geschikt voor de omgang met anderen',
sluit aan bij de cultuur van de sociabiliteit waaruit ook de eerste speculatieve loges ontstonden.
Maar ook de wereldbeschouwing van deze denkers zijn nog steeds waardevol voor ons vrijmetselaars.
Ik citeer tot slot een korte passage uit de Esquisse d'un tableau
historique des progrès de l'esprit humain (1794) van Marie Jean Antoine Nicolas Caritat, Marquis de Condorcet (1743-1794):
'Onze verwachtingen voor de toekomstige toestand van de mens zijn te herleiden tot de volgende drie hoofdpunten: de uitroeiing
van de ongelijkheid tussen de naties; de ontwikkeling van de gelijkheid binnen een volk; en ten slotte de wezenlijke
vervolmaking van de mens.'
De 'wezenlijke vervolmaking van de mens',
zelfs wanneer hij uit zo krom hout is gemaakt, dat hij niet meer recht kan worden getimmerd.

Bibliografie:
- Auteur B:.
Paul van Aken.
A:.L:. Viertorre, GOB

[http://www.wenteltrap.be/]
|